ECLI:NL:RBSGR:2002:AF2820
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring en toekenning schadevergoeding
Eiser werd op 12 november 2002 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Tegen deze maatregel stelde eiser beroep in, tevens strekkende tot toekenning van schadevergoeding. Verweerder stelde dat op 26 juli 2002 al op het bezwaarschrift van eiser was beslist, waardoor geen sprake meer was van rechtmatig verblijf.
De rechtbank stelde vast dat het essentiële besluit waarop verweerder zich beriep ontbrak in het procesdossier en niet ter zitting was overgelegd. Dit, terwijl het geschil zich juist toespitste op de vraag of eiser rechtmatig verblijf had. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat het verblijf van eiser niet langer rechtmatig was. De rechtbank oordeelde dat de inbewaringstelling onrechtmatig was.
De rechtbank kende eiser een schadevergoeding toe van 760 euro voor de periode van 12 tot 20 november 2002 dat hij in bewaring verbleef. Tevens werden de proceskosten van 644 euro aan eiser toegekend. Het tweede beroep werd niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.
De uitspraak werd gedaan door de rechtbank 's-Gravenhage, zittinghoudende te Zutphen, op 20 november 2002 en is in het openbaar uitgesproken. Partijen werd de mogelijkheid gegeven binnen een week hoger beroep in te stellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, oordeelt dat de inbewaringstelling onrechtmatig was en kent schadevergoeding toe.