ECLI:NL:RBSGR:2002:AF3708
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen intrekking verblijfsvergunning asiel wegens artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag
Verzoeker, van Afghaanse nationaliteit, had een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd die op 9 oktober 2001 werd ingetrokken wegens toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, vanwege verdenkingen van misdrijven tegen de menselijkheid. Verzoeker diende op 25 november 2002 een nieuwe aanvraag in, die werd afgewezen door verweerder op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd.
De rechtbank oordeelt dat de intrekkingsbeschikking van 9 oktober 2001 als een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking moet worden aangemerkt, waardoor de nieuwe aanvraag als herhaalde aanvraag onder artikel 4:6 Awb Pro valt. Verzoekers beroep op een brief van de Landelijke Officier Oorlogsmisdrijven, waarin werd gesteld dat onvoldoende aanwijzingen bestonden om hem als verdachte aan te merken, vormt geen nieuw feit dat tot heroverweging leidt.
De rechtbank benadrukt dat het toetsingskader in het vreemdelingenrecht verschilt van dat in strafrechtelijke procedures en dat de beoordeling van artikel 1(F) niet gelijk is aan een strafrechtelijke beoordeling. Gezien het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden blijft het bestreden besluit in stand. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.