ECLI:NL:RBSGR:2002:AF3764
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf
Verzoekster, een Iraakse vrouw, diende op 23 januari 2002 een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel verblijf bij haar partner in Nederland, die erkend is als vluchteling. Ondanks een verklaring van geen bezwaar van het hoofd van de Visadienst in juli 2002, ontving verzoekster tot oktober 2002 geen mvv. Haar rechtmatig verblijf in Syrië zou op 17 oktober 2002 eindigen, terwijl terugkeer naar Irak vanwege de situatie aldaar en haar vluchtelingenstatus onwenselijk was.
De rechtbank overwoog dat het verzoek om een voorlopige voorziening een vergaande maatregel betreft die slechts bij zwaarwegende omstandigheden kan worden toegewezen. Gelet op het spoedeisende belang van verzoekster, het ontbreken van een toegelicht belang van verweerder en het feit dat de redelijke termijn van drie maanden voor besluitvorming ruimschoots was overschreden, was toewijzing gerechtvaardigd.
De voorzieningenrechter bepaalde dat verweerder verzoekster moet behandelen alsof zij in het bezit is van een mvv. Tevens werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten en vergoeding van griffierecht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: De rechtbank beveelt behandeling van verzoekster alsof zij in het bezit is van een machtiging tot voorlopig verblijf wegens overschrijding van de redelijke beslistermijn.