ECLI:NL:RBSGR:2002:AF6897
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning en ongewenstverklaring wegens strafrechtelijke veroordelingen en belangenafweging familie- en gezinsleven
Verzoeker, van Turkse nationaliteit, had een verblijfsvergunning in Nederland die door verweerder werd ingetrokken en werd ongewenst verklaard vanwege een strafrechtelijke veroordeling tot 18 maanden gevangenisstraf voor een opzettelijk gepleegd misdrijf. Daarnaast had verzoeker meerdere eerdere veroordelingen in Duitsland, waaronder een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2,5 jaar voor poging tot doodslag.
De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker pas 28 maanden legaal in Nederland verbleef toen het misdrijf werd gepleegd en dat de ernst van het strafbare feit en de eerdere veroordelingen een zwaarwegende grond vormen voor intrekking en ongewenstverklaring. De stelling van verzoeker dat vergelijkbare gevallen niet tot ongewenstverklaring leiden, wordt verworpen wegens gebrek aan onderbouwing.
De rechter weegt ook het recht op respect voor familie- en gezinsleven af aan de hand van de criteria van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De echtgenote van verzoeker zal naar verwachting geen onoverkomelijke problemen ondervinden indien zij hem naar Turkije volgt, en de minderjarige kinderen met Nederlandse nationaliteit zijn naar het oordeel van de rechter voldoende in staat om zich met verzoeker in Turkije te vestigen.
Ook het contact met in Duitsland wonende kinderen en familieleden weegt niet zwaarder dan het belang van de Nederlandse samenleving bij bescherming van openbare orde en veiligheid. Het geringe tijdsverloop tussen het misdrijf en de intrekking van de vergunning versterkt dit oordeel. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen intrekking verblijfsvergunning en ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.