ECLI:NL:RBSGR:2002:AF7198

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
14 juni 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 02/43081, 02/43092
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 6:7 AwbArt. 64 Vw 2000
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd inzake beoordeling opvang en uitzetting vreemdelingen

Eisers, van Armeense nationaliteit, hebben in 1998 aanvragen gedaan voor vluchtelingenstatus en verblijfvergunning. Deze zijn door de Staatssecretaris van Justitie afgewezen, waarna bezwaar en beroep zijn ingesteld. De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA) geen besluiten met rechtsgevolg kan nemen over opvang en uitzetting.

De rechtbank stelt dat de beoordeling van schrijnende humanitaire omstandigheden en de vraag of uitzetting verantwoord is vanwege gezondheidstoestand volledig bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) ligt. Het COA moet de verzoeken van de IND volgen en heeft geen zelfstandige beoordelingsbevoegdheid.

Daarom verklaart de rechtbank zich kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen het COA-besluit en sluit het onderzoek met toepassing van artikel 8:54 Awb Pro. De uitspraak is gedaan op 14 juni 2002 en in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen het COA en sluit het onderzoek.

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage
Nevenzittingsplaats Arnhem
Vreemdelingenkamer
Registratienummer: 02/43081 en 02/43092
Datum uitspraak: 14 juni 2002
Uitspraak
ingevolge artikel 8:54, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
in de zaak van
A,
geboren op [...] 1940,
B,
geboren op [...] 1941,
van Armeense nationaliteit,
eisers ,
gemachtigde mr. C.G.J.M. Lucassen,
tegen
HET CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS (COA),
gevestigd te Rijswijk,
verweerder.
Het procesverloop
Op 17 februari 1998 hebben eisers aanvragen om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf gedaan. Bij besluiten van 7 augustus 2000, bekendgemaakt op 23 augustus 2000, heeft de Staatssecretaris van Justitie de aanvragen niet ingewilligd.
Eisers hebben daartegen bij bezwaarschrift van 18 september 2000 bezwaar gemaakt.
Bij besluiten van 5 februari 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie het bezwaar van 18 september 2000 ongegrond verklaard.
Het daartegen gerichte beroep is bij uitspraak van 24 mei 2002 ongegrond verklaard.
Bij brief van 14 maart 2002 hebben eisers een beroepschrift ingediend en een verzoek om voorlopige voorziening gedaan, gericht tegen de weigering om te beslissen op het verzoek om continuering van de opvang door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Voor zover beroep is ingesteld, is dat geregistreerd onder de nummers 02/19448 en 02/19453. Voor zover een voorlopige voorziening is verzocht, is dit geregistreerd onder de nummers 02/19443 en 02/19446. Bij uitspraak van 24 mei 2002 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek afgewezen en met toepassing van artikel 8:86 van Pro de Awb verklaart dat de rechtbank onbevoegd is kennis te nemen van het beroep.
Tevens hebben eisers bij brief van 14 maart 2002 een beroepschrift ingediend en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan, gericht tegen de weigering om te beslissen op het verzoek tot continuering van de opvang door het COA. Voor zover beroep is ingesteld, is dat geregistreerd onder de nummers 02/43081 en 02/43092. Voor zover een voorlopige voorziening is verzocht, is dit geregistreerd onder de nummers 02/43094 en 02/43096.
De beoordeling
1. In artikel 8:54 van Pro de Awb is, onder meer, bepaald, dat de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de rechtbank te verschijnen, het onderzoek kan sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is.
2. Hetgeen bij uitspraak van 24 mei 2002 (registratienummers 02/19443, 02/19446, 02/19448 en 02/19453, bijgevoegd) is overwogen, leidt ertoe dat de COA niet een op rechtsgevolg gericht besluit kan nemen in de zin van de Awb. Gezien de wet- (en regel)geving en de instructie van de Staatssecretaris van Justitie (Stcrt. 4 februari 2000, nr.25, p.9) is er voor het COA geen enkele ruimte voor een beoordeling van schrijnende humanitaire omstandigheden in het kader van de toetsing op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000 of uitzetting achterwege moet blijven omdat het, gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of een van zijn familieleden, niet verantwoord is om te reizen. Deze beoordelingsruimte ligt geheel bij de IND. Het COA behoort de daartoe strekkende verzoeken van de IND te volgen.
3. De rechtbank is derhalve kennelijk onbevoegd, zodat aanleiding bestaat het onderzoek met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb te sluiten en onmiddellijk uitspraak te doen.
De beslissing
De rechtbank:
verklaart dat de rechtbank onbevoegd is.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.M. van Hoof en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.
de griffier de rechter
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank op grond van artikel 8:55 in Pro samenhang met 6:7 van de Awb. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
Afschrift verzonden: 17 juni 2002