ECLI:NL:RBSGR:2003:AF5197
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen voortzetting en wijze van tenuitvoerlegging van bewaring vreemdeling
De vreemdeling was onderworpen aan een maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank beoordeelde of de voortzetting van deze vrijheidsontnemende maatregel rechtmatig was en of de wijze van tenuitvoerlegging, met name het verblijf in een politiecel langer dan tien dagen, gerechtvaardigd was.
De rechtbank oordeelde dat de voortzetting van de bewaring rechtmatig was omdat er voldoende zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn. De vreemdeling had documenten aangeleverd en contact gehad met de Joegoslavische autoriteiten. De omstandigheden rechtvaardigden de voortzetting van de bewaring.
Echter, de rechtbank vond dat het verblijf van twaalf dagen in een politiecel onrechtmatig was, aangezien de overschrijding van de termijn van tien dagen niet gerechtvaardigd kon worden door bijzondere omstandigheden. De vreemdeling was inmiddels overgeplaatst naar een Huis van Bewaring, waardoor een bevel tot wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging achterwege bleef.
De rechtbank wees op de mogelijkheid van schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor onrechtmatige tenuitvoerlegging, ondanks dat artikel 106 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 een lex specialis is voor schadevergoeding bij opheffing van bewaring. De vreemdeling kreeg een schadevergoeding van €190 toegekend voor de twee dagen onrechtmatige bewaring in de politiecel.
Tot slot werd de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen de wijze van tenuitvoerlegging van bewaring is gegrond verklaard met toekenning van schadevergoeding, het beroep tegen voortzetting van bewaring is ongegrond verklaard.