ECLI:NL:RBSGR:2003:AF5832
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- W.J. van Brussel
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep asielaanvraag na overdracht op grond van Dublinovereenkomst
Verzoeker, een Srilankaanse nationaliteit bezittende vreemdeling, diende een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder besloot de aanvraag af te wijzen en een verzoek tot overname in te dienen bij de Britse autoriteiten op grond van de Dublinovereenkomst. Groot-Brittannië accepteerde dit verzoek, waarna verzoeker werd uitgezet.
Verzoeker stelde dat Nederland het asielverzoek zelf had moeten behandelen vanwege het risico op indirect refoulement in Groot-Brittannië en dat zijn uitzetting onrechtmatig was omdat zijn beroep schorsende werking zou moeten hebben. De voorzieningenrechter oordeelde dat op grond van artikel 5 Vreemdelingenwet Pro 2000 de vertrekplicht na afwijzing van de asielaanvraag onmiddellijk geldt en dat artikel 82 Vreemdelingenwet Pro niet van toepassing is op vreemdelingen aan wie de toegang is geweigerd.
Verder concludeerde de rechter dat verweerder mocht aannemen dat Groot-Brittannië zijn verdragsverplichtingen naleeft en dat verzoeker onvoldoende concrete feiten had aangevoerd om het tegendeel aannemelijk te maken. De uitzetting was daarom niet in strijd met de wet, en het beroep werd ongegrond verklaard. Het verzoek om een voorlopige voorziening om terugkeer naar Nederland te bewerkstelligen werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen; de uitzetting naar Groot-Brittannië was rechtmatig.