ECLI:NL:RBSGR:2003:AF5846
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende zorgvuldigheid en aannemelijkheid relaas
Verzoekster, een Afghaanse vrouw van Tadzjiekse afkomst, diende op 8 december 2002 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. Haar aanvraag werd op 11 december 2002 door verweerder afgewezen, onder meer vanwege onvoldoende bewijs van identiteit en reisdocumenten en twijfel over de geloofwaardigheid van haar asielrelaas.
Verzoekster stelde dat zij vanwege een conflict met haar schoonfamilie, die mogelijk betrokken was bij de dood van haar broer, en de dreiging van eerwraak het land moest verlaten. In het voornemen werd de aannemelijkheid van haar verhaal niet betwist, maar in de beschikking wel, wat volgens de rechtbank niet in overeenstemming is met het beleid van verweerder. De rechter oordeelde dat het voornemen onvoldoende houvast bood voor verzoekster om haar zienswijze te baseren.
De rechtbank stelde vast dat verweerder niet conform het eigen beleid had gehandeld en dat de aanvraag onzorgvuldig was afgehandeld binnen het aanmeldcentrum. Gezien de ernst van de situatie en het ontbreken van een zorgvuldige beoordeling werd het beroep gegrond verklaard, de beschikking vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw te beslissen. Het verzoek tot voorlopige voorziening werd afgewezen omdat de procedure terugkeert naar de fase van behandeling van de aanvraag zonder uitzettingsdreiging.
Verweerder werd tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster. De uitspraak werd gedaan door de voorzieningenrechter Elderman op 9 januari 2003.
Uitkomst: De afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen opnieuw te beslissen.