ECLI:NL:RBSGR:2003:AF5872
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vrijheidsontneming tijdens vervoer van penitentiaire inrichting naar luchthaven Schiphol
De vreemdeling, van Ghanese nationaliteit, werd na weigering van toegang tot Nederland op Schiphol in strafrechtelijke detentie geplaatst. Na afloop van deze detentie op 3 januari 2003 werd hij opnieuw de toegang geweigerd en werd een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op basis van artikel 6 Vreemdelingenwet Pro 2000 (Vw). Namens de vreemdeling werd aangevoerd dat voor de vrijheidsontneming tijdens het vervoer van de penitentiaire inrichting naar Schiphol geen wettelijke grondslag bestond.
De rechtbank stelde vast dat een maatregel die leidt tot vrijheidsbeneming een wettelijke grondslag behoeft, conform artikel 5 EVRM Pro en artikel 15 Grondwet Pro. Verweerder baseerde de maatregel op een analoge toepassing van artikel 50, derde lid, Vw, wat volgens de rechtbank onvoldoende is. De rechtbank verwierp de stelling van verweerder dat artikel 5.5 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) de grondslag vormde en oordeelde dat er geen andere wettelijke grondslag was voor de vrijheidsontneming tijdens het vervoer.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, oordeelde dat de maatregel onrechtmatig was vanaf 3 januari 2003 en kende de vreemdeling een schadevergoeding toe van €1.045,- voor het verblijf in Triport en het Grenshospitium. Tevens werden proceskosten van €322,- aan verweerder opgelegd. Tegen de beslissing inzake de schadevergoeding staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel tijdens het vervoer naar Schiphol was onrechtmatig en de vreemdeling kreeg een schadevergoeding van €1.045,- toegekend.