ECLI:NL:RBSGR:2003:AF6539
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- W.J. van Bennekom
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking voorwaardelijke vergunning verblijf wegens onjuist tijdsverloop driejarenbeleid
Eiser, van Somalische nationaliteit, kreeg op 28 februari 1997 een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verleend, die later op 25 juni 1997 werd ingetrokken. Na bezwaar en beroep werd de intrekking in 1998 vernietigd. Verweerder handhaafde echter het besluit tot intrekking, waarop eiser opnieuw beroep instelde. De kern van het geschil is of na de onherroepelijke uitspraak van 8 december 1998 relevant tijdsverloop is opgebouwd voor toepassing van het driejarenbeleid.
De rechtbank sluit zich aan bij eerdere uitspraken van de Rechtseenheidkamer en oordeelt dat de periode waarin wordt doorgeprocedeerd over de vvtv wel degelijk meetelt als relevant tijdsverloop. Ook wordt de procedure over de intrekking van de vvtv niet als een aparte procedure gezien die een nieuwe termijn doet aanbreken. Hierdoor is het tijdsverloop vanaf de kennisname van de intrekking op 26 juni 1997 tot de beschikking op bezwaar van 2 maart 2001 langer dan drie jaar.
Verweerder stelde dat na de uitspraak van 8 december 1998 geen relevant tijdsverloop meer was opgebouwd en dat geen vergunning op grond van het driejarenbeleid kon worden verleend. De rechtbank verwerpt dit standpunt en oordeelt dat verweerder zich niet op een voldoende deugdelijke motivering heeft kunnen baseren. Het besluit wordt daarom vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de Staat tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de voorwaardelijke vergunning tot verblijf wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.