ECLI:NL:RBSGR:2003:AF6964
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.H. van Coeverden
- Rechtspraak.nl
Toepassing harmonisatiemaatregelen op uitbetalingsrechten na pensioenfusie niet in strijd met Wet pensioenverevening
De zaak betreft een geschil tussen een voormalig deelnemer aan een pensioenfonds en de rechtsopvolger van dat fonds na een fusie. De eiser betwist de toepassing van harmonisatiemaatregelen die leiden tot verhoging van uitbetalingsrechten aan zijn ex-echtgenote, zoals vastgelegd in de Wet pensioenverevening bij scheiding (WPS).
De eiser was deelnemer aan het pensioenfonds en na de fusie aan de rechtsopvolger. Na zijn echtscheiding zijn de uitbetalingsrechten van zijn ex-echtgenote vastgesteld, zonder conversie. Het pensioenfonds voerde harmonisatiemaatregelen in die ook de uitbetalingsrechten verhoogden, maar deze verhogingen werden in mindering gebracht op het ouderdomspensioen van de eiser.
De rechtbank overweegt dat de WPS niet expliciet regels bevat voor verhogingen in de tussenperiode tussen scheiding en pensioenuitkering, maar uit de wetsgeschiedenis blijkt dat algemene loonontwikkelingen wel op uitbetalingsrechten van toepassing zijn. De harmonisatiemaatregelen worden gezien als algemene procentuele verhogingen en niet als individuele carrièreverhogingen, waardoor aanpassing van de uitbetalingsrechten gerechtvaardigd is.
De rechtbank wijst de vorderingen van de eiser af en staat tussentijds hoger beroep toe. Verdere beslissingen worden aangehouden voor nadere behandeling.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de harmonisatiemaatregelen rechtmatig zijn toegepast op de uitbetalingsrechten en wijst de vorderingen van eiser af.