ECLI:NL:RBSGR:2003:AF7249
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening inzake machtiging tot voorlopig verblijf bij verblijf in derde land
Verzoeker, van Turkse nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf met als doel verblijf bij zijn echtgenote in Nederland. Deze aanvraag werd door de Minister van Buitenlandse Zaken afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening zodat hij behandeld zou worden alsof hij in het bezit was van een machtiging tot voorlopig verblijf.
De voorzieningenrechter overwoog dat een land van bestendig verblijf een land is waar de vreemdeling gerechtigd is om langer dan drie maanden te verblijven op grond van een verblijfstitel. Verblijf in een derde land tijdens een asielprocedure, zonder toelating in de zin van het vreemdelingenrecht en met een onzekere uitkomst, kan niet als bestendig verblijf worden aangemerkt. Daarom is het niet onredelijk om te eisen dat het verblijf langer dan drie maanden op basis van een verblijfstitel moet zijn.
Verzoeker verbleef in België in afwachting van een beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag, maar dit verblijf werd niet als bestendig verblijf beschouwd. De rechtbank oordeelde dat het verzoek tot voorlopige voorziening daarom moest worden afgewezen. Tevens werd geen aanleiding gezien om het bezwaar van verzoeker gegrond te verklaren.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter N.M. Spelt op 4 maart 2003 en er staat geen rechtsmiddel tegen open.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat verblijf in België tijdens een asielprocedure niet als bestendig verblijf wordt aangemerkt.