ECLI:NL:RBSGR:2003:AF7282
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- H.F.M. Hofhuis
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vorderingen LBVI tegen CBR en Staat inzake RIS-implementatie en machtsmisbruik
De Landelijke Belangenvereniging van Verkeersopleidingsinstituten (LBVI) vorderde in kort geding dat het CBR en de Staat de implementatie van de Rijopleiding in Stappen (RIS) zouden staken of aanpassen. De LBVI stelde dat het CBR, met een wettelijk monopolie op rijexamens, onrechtmatig handelt door exclusief de opleiding tot RIS-instructeur te verzorgen en zo de markt voor opleidingsinstituten benadeelt. Tevens werd gesteld dat de Staat onrechtmatig handelt door dit toe te staan en onvoldoende toezicht te houden.
Het CBR en de Staat voerden verweer dat het RIS-project een publieke taak betreft gericht op verkeersveiligheid, dat het CBR niet als onderneming optreedt en geen economische machtspositie heeft op de markt voor RIS-opleidingen. Het CBR heeft toegezegd de markt open te stellen voor opleidingsinstituten, prioriteit te geven aan een selecte groep LBVI-leden voor opleiding, en het aantal kandidaten te beperken totdat de tweede groep RIS-docenten actief is. Tevens zijn maatregelen getroffen om belangenverstrengeling te voorkomen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de initiële exclusieve rol van het CBR twijfelachtig was, maar dat door de getroffen maatregelen en het gevorderde stadium van het RIS-project geen reden bestaat om de implementatie te staken. Er is onvoldoende aannemelijk dat het CBR een machtspositie misbruikt of dat de Staat onrechtmatig handelt. De vorderingen worden afgewezen en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van de LBVI af en staat het CBR toe de RIS-implementatie voort te zetten onder de huidige voorwaarden.