ECLI:NL:RBSGR:2003:AF7910
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning op grond van openbare orde en categorale bescherming
Verzoeker, een Iraakse asielzoeker, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning op grond van het categorale beschermingsbeleid voor asielzoekers uit Centraal-Irak. De Minister heeft deze aanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid juncto tweede lid, aanhef en onder k, van de Vreemdelingenwet 2000, vanwege de ernstige strafrechtelijke antecedenten van verzoeker.
De rechtbank overweegt dat het beleid omtrent openbare orde, zoals neergelegd in de Vreemdelingencirculaire, ook onder de nieuwe wetgeving van toepassing blijft en dat artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, facultatief is geformuleerd. Dit betekent dat een belangenafweging kan plaatsvinden, maar gezien de ernst en hoeveelheid van de gepleegde misdrijven ziet de rechtbank geen aanleiding voor afwijking van het beleid.
Verzoeker heeft een rapport van de AMOG overgelegd waarin wordt gesteld dat hij zijn gedrag wil verbeteren en dat er geen gevaar voor recidive is. De rechtbank acht dit onvoldoende om van het beleid af te wijken. Ook de situatie van de oorlog in Irak vormt geen reden om de beslissing te herzien.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding om de uitzetting op te schorten. Partijen worden niet veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.