Rechtbank ‘s-Gravenhage
sector bestuursrecht
tweede afdeling, enkelvoudige kamer
UITSPRAAK
als bedoeld in artikel 8:77
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Uitspraak in het geding tussen
de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, verweerster.
Ontstaan en loop van het geding
Bij brief van 7 oktober 2001 heeft eiser bij verweerster een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) voor de kosten van het inwinnen van de expertise van een oncoloog ter onderbouwing van een vordering tot schadevergoeding in een civiel-rechtelijke procedure tegen zijn voormalige huisarts. Voor het voeren van deze civielrechtelijke procedure heeft de raad voor rechtsbijstand bij besluit van 23 oktober 2001 aan eiser een rechtsbijstandverlener toegevoegd, waarbij de eigen bijdrage is bepaald op ƒ 495,-- (€ 224,62).
Naar aanleiding van zijn aanvraag is eiser op 1 november 2001 door een medewerker van verweerster thuis bezocht, waarbij eiser middels een daartoe bestemd (en op 1 november 2001 ondertekend) aanvraagformulier voormeld verzoek om bijzondere bijstand heeft herhaald.
Bij besluit van 5 februari 2002 heeft verweerster aan eiser medegedeeld dat afwijzend wordt beslist op de aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand, omdat hij, gelet op zijn inkomsten ingevolge de WAO, over middelen beschikt ter voorziening in deze kosten.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 16 februari 2002 een bezwaarschrift bij verweerster ingediend. Voorts heeft eiser bij brief van gelijke datum de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Vervolgens heeft verweerster bij besluit van 6 maart 2002 eisers aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van het raadplegen van een medisch expert afgewezen, aangezien deze kosten niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan worden gerekend.
Bij uitspraak van 29 maart 2002, registratienummer AWB 02/716 ABW, heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Eiser is op 21 mei 2002 door verweerster omtrent zijn bezwaren gehoord.
Bij besluit van 14 juni 2002 (hierna: het bestreden besluit), verzonden op 18 juni 2002, heeft verweerster de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 23 juli 2002, ingekomen bij de rechtbank op 24 juli 2002, beroep ingesteld.
Verweerster heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 28 augustus 2002 een verweerschrift ingediend.
De zaak is op 25 maart 2003 ter zitting behandeld.
Eiser is in persoon verschenen.
Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mevrouw mr. N. Maas.
In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit, waarbij verweerster haar besluiten van 5 februari 2002 en 6 maart 2002 tot afwijzing van eisers aanvragen om bijzondere bijstand heeft gehandhaafd, in rechte stand kan houden.
Bij de beantwoording van deze vraag zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang.
Ingevolge artikel 6, aanhef en onder b, van de Abw wordt verstaan onder bijzondere bijstand: de bijstand die wordt verstrekt indien bijzondere omstandigheden in het individuele geval leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan.
In artikel 39, eerste lid, van de Abw is bepaald dat de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm bedoeld in afdeling I, paragraaf 2 en 3 (van hoofdstuk IV van de Abw) en de aanwezige draagkracht.
Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Abw bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.
Eiser heeft in beroep, kort samengevat, aangevoerd dat zijn aanvraag op onjuiste gronden is afgewezen omdat hij geen aanvraag voor bijzondere bijstand in de kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand heeft gedaan. Voorts is eiser van mening dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de kosten van het in de arm nemen van een oncoloog te kunnen bekostigen. Ten slotte heeft eiser verwezen naar de uitspraak van de voorzieningenrechter.
Verweerster heeft zich, samengevat, op het standpunt gesteld dat het bezwaar van eiser van 16 februari 2002 moet worden gezien als bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op eisers aanvraag voor bijzondere bijstand in de kosten van het raadplegen van een medisch deskundige, zodat dit bezwaar moet worden geacht mede te zijn gericht tegen de beschikking van 6 maart 2002. Verweerster is van mening dat de kosten van een expertise door een medisch deskundige in het kader van een schade-procedure niet gerekend kunnen worden tot de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan waarvoor bijzondere bijstand mogelijk is. Bovendien is verweerster van mening dat de draagkracht van eiser juist is berekend, zodat bij de beschikking van 5 februari 2002 terecht de aanvraag voor bijzondere bijstand in de kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand is afgewezen.
De rechtbank overweegt als volgt.
Bij het bestreden besluit heeft verweerster naar aanleiding van het bezwaarschrift van 16 februari 2002 zowel het besluit van 5 februari 2002 als het besluit van 6 maart 2002 heroverwogen. Verweerster heeft het bezwaarschrift daarbij aangemerkt als niet alleen gericht tegen het besluit van 5 februari 2002, maar ook tegen het uitblijven van een beslissing op eisers aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van een medische expertise, zodat eisers bezwaren mede gericht moeten worden geacht tegen het op 6 maart 2002 alsnog genomen besluit op die aanvraag. Uit het verslag van de hoorzitting van 21 mei 2002 blijkt dat eiser ook over zijn bezwaar tegen het besluit van 6 maart 2002 is gehoord. De rechtbank kan verweerster, gelet op de bewoording en inhoud van het bezwaarschrift, volgen in haar standpunt dat eiser ook bezwaar heeft gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag. Op grond van het bepaalde in artikel 6:20, vierde lid, van de Awb heeft verweerster het bezwaarschrift terecht aangemerkt als mede gericht tegen het alsnog genomen besluit op de aanvraag.
Ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet meer in geschil is of verweerster terecht heeft geweigerd eiser bijzondere bijstand te verlenen in de kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand. Beoordeeld dient thans dan ook te worden of verweerster op goede grond eisers aanvraag heeft afgewezen voor bijzondere bijstand in de kosten van het raadplegen van een medisch deskundige ter onderbouwing van zijn vordering tot schadevergoeding in een civielrechtelijke procedure.
Ingevolge vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) dienen onder bepaalde omstandigheden de kosten van een procedure die de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) voor eigen rekening laat, tot de bijzondere noodzakelijke kosten te worden gerekend die redelijkerwijs niet uit de verstrekte uitkering en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. Daarbij heeft te gelden dat indien op grond van een toevoeging krachtens de Wrb rechtsbijstand is verleend, in beginsel de noodzaak voor het verlenen van rechtshulp kan worden aangenomen. De rechtbank verwijst in dit verband onder meer naar de uitspraak van de CRvB van 23 november 1999, gepubliceerd in JABW 2000/37. In artikel 4 van het Besluit vergoeding rechtsbijstand 2000 zijn de kosten vermeld die de Wrb voor eigen rekening van de rechtzoekende laat. Behalve de eigen bijdrage die de rechtzoekende op grond van de Wrb verschuldigd is, betreffen dit de kosten ter zake van, kort samengevat: griffierechten; getuigen en deskundigen; uittreksels uit de openbare registers; telegrammen en internationale telex, telefax en telefoongesprekken; verschotten van een procureur en rolverrichtingen.
Nu aan eiser een toevoeging is verleend, kan de noodzaak voor het verlenen van rechtshulp inzake het geschil tussen eiser en zijn voormalige huisarts worden aangenomen. Gelet op het voorgaande dienen ook de kosten van het raadplegen van een medisch deskundige ten behoeve van deze door eiser aanhangig gemaakte schadevergoedingsprocedure tot de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan te worden gerekend waarin op grond van artikel 39, eerste lid, van de Abw bijstand kan worden verleend. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank voorts voldoende aannemelijk gemaakt dat hij, om zijn positie in het geschil met zijn voormalige huisarts te versterken, zijn vordering tot schadevergoeding met een medische expertise dient te onderbouwen.
De rechtbank overweegt echter verder dat in de artikelen 194 en 202 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) de mogelijkheid is geschapen om de rechter te verzoeken een (voorlopig) deskundigen-onderzoek te bevelen, zowel voorafgaand aan het aanhangig maken van een geding, als tijdens een aanhangig geding. Blijkens artikel 195 van het Rv kan de rechter tijdens zo'n geding op verzoek van één der partijen of ambtshalve een verhoor van deskundigen bevelen, waarbij aan partijen aan wie ingevolge de Wrb een toevoeging is verleend, geen voorschot ter zake van de kosten wordt opgelegd. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser voor het verkrijgen van een medische expertise ter onderbouwing van zijn vordering tot schadevergoeding beroep kan doen op een voorliggende voorziening in de zin van artikel 17, eerste lid, van de Abw. Verweerster heeft derhalve, zij het op onjuiste gronden, terecht geweigerd eiser bijzondere bijstand te verstrekken in de kosten van het inwinnen van de expertise van een oncoloog. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de rechtbank niet gebleken.
De Rechtbank 's-Gravenhage,
verklaart het beroep ongegrond.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Aldus gegeven door mr. C.W. de Wit en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2003, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.B.E. Hersmis.
Voor eensluidend afschrift,
de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,