ECLI:NL:RBSGR:2003:AF8837

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
10 januari 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 02/9264
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 70 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens ontbrekende volmachtverklaring advocaat

Opposant, vertegenwoordigd door mr. R.M.J. Lanting, had beroep ingesteld tegen een besluit, maar de rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat de advocaat niet had verklaard dat hij bepaaldelijk was gevolmachtigd, zoals vereist volgens artikel 70 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.

In het verzet betoogde opposant dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk had verklaard. De rechtbank Zutphen had inmiddels het standpunt ingenomen dat het volstaat dat expliciet wordt verklaard of blijkt dat de advocaat gemachtigd is, zonder dat een specifieke volmachtverklaring noodzakelijk is.

De rechtbank 's-Gravenhage oordeelde dat in dit geval de gemachtigde van opposant in de beroepschriften had verklaard gemachtigd te zijn, waardoor aan de eis van artikel 70, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 was voldaan. De niet-ontvankelijkverklaring was daarom onterecht.

Op grond van artikel 8:55, zevende lid, Awb vervalt de eerdere uitspraak en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond, met behoud van de schorsende werking van het beroep. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

De uitspraak werd gedaan door rechter A.J. Weerkamp-Beens en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2003.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en het beroep wordt ontvankelijk verklaard, waarna het onderzoek wordt voortgezet.

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE
Zitting houdende te Zutphen
Registratienummer: Awb 02/9264
UITSPRAAK
met toepassing van artikel 8:55 Awb Pro in het geding tussen:
A
geboren op [...] 1978
van Soedanese nationaliteit
opposant
gemachtigde: mr R.M.J. Lanting, advocaat te Deventer,
en
DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,
geopposeerde.
1. Procesverloop
Namens opposant heeft mr. R.M.J. Lanting bij brief van 5 juli 2002 tijdig verzet gedaan tegen de uitspraak van de rechtbank, verzonden op 24 mei 2002, waarbij het beroep van opposant van 4 februari 2002 met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk is verklaard, omdat de gemachtigde van opposant niet heeft verklaard dat hij bepaaldelijk is gevolmachtigd door opposanten om namens hen beroep in te stellen, zoals bedoeld in artikel 70 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Het verzet is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank op 29 november 2002, waar mr. Lanting verscheen.
2. Motivering
Uitsluitend ter beoordeling staat de vraag of de rechtbank terecht tot vereenvoudigde behandeling van het beroep van 4 februari 2002 is overgegaan.
Opposant stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn gemachtigde heeft nagelaten te verklaren bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn.
Een redelijke toepassing van de wet brengt in dit specifieke geval met zich dat het verzet gegrond wordt verklaard.
Daartoe wordt het volgende overwogen.
De zittingsplaats Zutphen heeft aanvankelijk het standpunt ingenomen dat uit het bepaalde in artikel 70, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, voortvloeit dat een advocaat-gemachtigde bij het instellen van beroep dient te verklaren dat hij door zijn cliënt bepaaldelijk gevolmachtigd is tot het instellen van het beroep.
Niet in geschil is dat opposantens gemachtigde zulks in het onderhavige geval niet heeft verklaard ook niet na de aan hem geboden herstelmogelijkheid.
Deze zittingsplaats heeft vervolgens in het najaar 2002 in navolging van andere zittingsplaatsen haar voornoemde standpunt verlaten. Voldoende wordt sindsdien geacht dat expliciet wordt verklaard c.q. blijkt dat de advocaat-gemachtigde gemachtigd is.
In het onderhavige geval heeft de gemachtigde van opposanten in de beroepschriften verklaard dat hij gemachtigd is. Daarmee is voldaan aan de uit artikel 70, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voortvloeiende eis.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.
Ingevolge artikel 8:55, zevende lid, van de Awb vervalt de uitspraak waartegen verzet is gedaan en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond. Hieruit volgt dat het reeds ingestelde beroep de schorsende werking behoudt.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De rechtbank,
recht doende:
verklaart het verzet gegrond.
Aldus gegeven door mr. A.J. Weerkamp-Beens en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2003 in tegenwoordigheid van M. Beeren als griffier.
Afschrift verzonden op: 14 januari 2003
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.