ECLI:NL:RBSGR:2003:AF9880

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
10 juni 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
09/017066-01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Timmermans
  • Schirmeister
  • Wapenaar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c SrArt. 22d Sr
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen valsheid in geschrift, diefstal en oplichting met taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf

De rechtbank 's-Gravenhage heeft verdachte veroordeeld voor meerdere strafbare feiten waaronder medeplegen van valsheid in geschrift, diefstal door meerdere personen en medeplegen van oplichting. Verdachte heeft gedurende een periode van meer dan een half jaar op ernstige wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen in het elektronisch betalingsverkeer en de persoonlijke situatie van het slachtoffer.

De feiten zijn bewezen verklaard op basis van de dagvaarding en overige bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. Verdachte verkeerde destijds in proeftijd vanwege soortgelijke feiten, maar heeft sindsdien zijn leven positief veranderd en is niet meer met justitie in aanraking gekomen.

De rechtbank heeft rekening gehouden met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat het initiatief niet van hem uitging. Daarom is gekozen voor een combinatie van een werkstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaar. Het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis is opgeheven en verdachte is vrijgesproken van overige tenlasteleggingen die niet bewezen zijn verklaard.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Uitspraak

ECHTBANK ’S-GRAVENHAGE
SECTOR STRAFRECHT
MEERVOUDIGE KAMER
(VERKORT VONNIS)
[Parketnummer]
's-Gravenhage, 10 juni 2003
De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte]
[geboortedatum] [geboorteplaats],
[adres]
De terechtzitting.
Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 27 mei 2003.
De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. R.A.J. Verploegh, is verschenen en gehoord.
De officier van justitie mr Kole heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder feit 1, 2, 3 en 4 primair telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.
De telastlegging.
Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.
De bewijsmiddelen.
P.M.
De bewezenverklaring.
Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder feit 1, 2, 3 en 4 primair vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.
Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.
Strafmotivering.
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen straffen het volgende overwogen. Verdachte heeft samen met anderen een niet onaanzienlijk aantal strafbare feiten gepleegd. Verdachte heeft poststukken gestolen, gebruik gemaakt van valse (elektronische) betalingsopdrachten en een creditcard misbruikt. Meer dan een half jaar heeft verdachte zich zo ingelaten met praktijken die ertoe strekten anderen (veel) geld afhandig te maken.
Daarbij is het vertrouwen in het (elektronisch) betalingsverkeer ernstig geschaad en is – en de rechtbank rekent verdachte met name dit zwaar aan – langdurig en op ernstige wijze misbruik gemaakt van de persoonlijke situatie van [slachtoffer]. Verdachte lijkt zich dit alles nauwelijks te hebben gerealiseerd ten tijde van het plegen van de feiten. Verdachte liep destijds bovendien nog in een proeftijd van een eerdere veroordeling ter zake soortgelijke feiten.
In beginsel zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats zijn wanneer de feiten in aanmerking worden genomen en de omstandigheid dat het niet de eerste keer is dat verdachte dergelijke feiten pleegt. Anderzijds moet de rechtbank constateren dat het initiatief tot het plegen van de feiten niet van verdachte is uitgegaan en dat hij thans zijn leven een wending ten goede lijkt te hebben gegeven. Hij werkt en is al geruime tijd niet meer in aanraking gekomen met politie en justitie. Een en ander tegen elkaar afwegend is de rechtbank van oordeel dat navolgende combinatie van een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf op dit moment passend en geboden is.
De toepasselijke wetsartikelen.
De artikelen:
- 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 225, 310, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing.
De rechtbank,
verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder feit 1, 2, 3 en 4 primair telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:
Ten aanzien van feit 1 en 4 primair:
MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK GEBRUIK MAKEN VAN EEN VALS GESCHRIFT ALS BEDOELD IN ARTIKEL 225 LID 1 VAN Pro HET WETBOEK VAN STRAFRECHT, ALS WARE HET ECHT EN ONVERVALST, MEERMALEN GEPLEEGD;
Ten aanzien van feit 2:
DIEFSTAL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN, MEERMALEN GEPLEEGD;
Ten aanzien van feit 3:
MEDEPLEGEN VAN OPLICHTING, MEERMALEN GEPLEEGD.
verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;
veroordeelt verdachte te dier zake tot:
een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 240 (TWEEHONDERDVEERTIG) UREN;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht zal geschieden op 2 uur per dag, zodat 236 (TWEEHONDERDZESENDERTIG) uren resteren
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 118 (HONDERDACHTIEN) DAGEN;
in verzekering gesteld op : 12 december 2001,
in voorlopige hechtenis gesteld op : 14 december 2001,
welke voorlopige hechtenis werd opgeschort met ingang van : 14 december 2001,
veroordeelt verdachte te dier zake voorts tot:
gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden;
bepaalt, dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
heft op het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis;
verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mrs Timmermans, voorzitter,
Schirmeister en Wapenaar, rechters,
in tegenwoordigheid van mr Bröcheler, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 juni 2003.