ECLI:NL:RBSGR:2003:AH9665

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
13 juni 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 02/22565
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:75 AwbArt. 28 Vw 2000Art. 29 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering vervolgingsgevaar Jehova’s Getuigen Iran

Eisers, afkomstig uit Iran, vroegen asiel aan in Nederland en gaven aan dat zij vanwege hun bekering tot Jehova’s Getuigen vrezen voor vervolging bij terugkeer naar Iran. Verweerder wees hun aanvraag af op grond van het beleid voor refugiés sur place en een ambtsbericht dat stelt dat tot het christendom bekeerde moslims in Iran redelijk probleemloos kunnen functioneren.

De rechtbank constateert dat verweerder niet heeft onderzocht en gemotiveerd of de predikingsactiviteiten van eisers in Iran daadwerkelijk tot vervolging zullen leiden, terwijl dit een cruciaal punt is gezien de aard van hun geloofsuitoefening. Tevens twijfelde verweerder aan het asielrelaas omtrent het bezit van belastend beeldmateriaal, maar dit was niet doorslaggevend voor de kern van het beroep.

De rechtbank oordeelt dat de bestreden besluiten in strijd zijn met de zorgvuldigheids- en motiveringsbeginselen van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom verklaart zij het beroep gegrond, vernietigt de besluiten en beveelt nieuwe besluitvorming. Tevens veroordeelt zij verweerder in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag en beveelt nieuwe besluitvorming vanwege onvoldoende motivering over vervolgingsgevaar.

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage
nevenzittingsplaats Breda
vreemdelingenkamer, enkelvoudig
__________________________________________________
UITSPRAAK
ingevolge artikel 8:77 Algemene Pro wet bestuursrecht
__________________________________________________
Reg.nr : AWB 02/22565 OVERIO G 11
Inzake : A, B, eisers, en hun minderjarige kinderen C en D, woonplaats kiezende ten kantore van hun gemachtigde, mr. J.G. Wiebes, advocaat te Dronten
tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, niet verschenen.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
1. Eisers hebben gesteld te zijn geboren op respectievelijk [...] 1968, [...] 1972 en de beide minderjarige kinderen op [...] 1995 en de Iraanse nationaliteit te bezitten. Zij verblijven sedert 27 februari 1999 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 28 februari 1999 hebben zij een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Hierop is door verweerder op 9 september 1999 afwijzend beslist. Eisers hebben tegen die besluiten een bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft op 22 februari 2002 de bezwaren ongegrond verklaard.
2. Op 22 maart 2002 hebben eisers tegen die besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de beroepen.
3. De openbare behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden op 21 maart 2003. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.Verweerder heeft zich niet doen vertegenwoordigen. Tevens was ter zitting aanwezig mevrouw M. Mirzadeh, tolk in de Farsi-taal.
II. OVERWEGINGEN
1. Op 1 april 2001 is in werking getreden de Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet (Vreemdelingenwet 2000, hierna Vw 2000), Stb. 2000, 495. Nu de bestreden besluiten zijn bekend gemaakt na 1 april 2001, is op de materiële beoordeling daarvan het thans geldende recht van toepassing.
2. In dit geding dient te worden beoordeeld of de bestreden besluiten in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.
3. Eisers hebben ter onderbouwing van hun aanvragen en hun beroepen - voorzover van belang en samengevat - het navolgende aangevoerd.
Eisers waren in het bezit van een schotelantenne, hetgeen in Iran is verboden. De zedenafdeling van de Monkerat kwam bij eisers aan de deur. Eiser had, zonder medeweten van eiseres, een documentaire van de televisiezender van de Mujaheddin (MKO) opgenomen van de televisie, waarin de leden van de Mujaheddin de Iraanse autoriteiten beledigden. Voorts was op de videoband een steniging te zien. Op het moment dat de Monkerat het huis van eisers doorzocht, waren twee kopieën en de originele band in de woning aanwezig. De Monkerat heeft de videobanden en de schotelantenne in beslag genomen. Eiseres was tijdens de huiszoeking in de woning. Na vertrek van de Monkerat heeft eiseres naar eiser gebeld over hetgeen had plaatsgevonden. Eiser realiseerde zich dat het leven van hem en zijn familie in gevaar was, als de videobanden zouden worden ontdekt.
Voorts voeren eisers aan dat hun leven in Iran gevaar loopt daar zij sinds oktober 1999 aangesloten zijn bij de Jehova's Getuigen in Nederland. Eisers zullen in Iran worden beschouwd als afvallige moslims en de doodstraf krijgen. Eisers willen ook in Iran over dit geloof kunnen spreken, mee kunnen doen aan activiteiten en moeten daarom worden aangemerkt als "refugees sur place".
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers niet voor toelating in aanmerking komen.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
In beroep spitst het geschil zich toe op de in de bestreden besluiten vervatte weigering eisers op grond van artikel 29, eerste lid, onder a en b, Vw 2000 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Ingevolge artikel 29, eerste lid, onder a en b, Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden Pro verleend aan de vreemdeling:
a. die verdragsvluchteling is;
b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
5. Artikel 31, eerste lid, Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 wordt Pro afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Het is dus aan eisers om de aan de aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk te maken.
6. Ingevolge artikel 29, eerste lid, onder a, Vw 2000 kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden Pro verleend aan de vreemdeling die verdragsvluchteling is.
Op grond van het Vluchtelingenverdrag is sprake van vluchtelingschap in het geval dat de betrokkene uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land van herkomst en de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.
Nu de situatie in Iran niet zodanig is dat vreemdelingen afkomstig uit dat land in het algemeen zonder meer als vluchteling kunnen worden aangemerkt, dienen eisers aannemelijk te maken dat in dit concrete geval feiten en omstandigheden bestaan die vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen.
7. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen twijfelen aan het asielrelaas van eisers. Zo heeft verweerder niet aannemelijk kunnen achten dat eiser daadwerkelijk beeldmateriaal van de MKO heeft gekopieerd en in bezit heeft gehad zonder voorzorgsmaatregelen te treffen om de belastende videobanden te verstoppen, althans op te bergen op een zodanige plek dat ze bij een huiszoeking niet meteen gevonden zouden worden. Blijkens eigen verklaring was eiser er immers van op de hoogte dat het bezit van dergelijk beeldmateriaal in Iran streng verboden was. Blijkens eigen verklaring was eiser er bovendien van op de hoogte dat het bezit van een schotelantenne verboden was en dat de Iraanse autoriteiten over schotelantennebezitters plegen te worden getipt door buurtbewoners.
Daarnaast heeft verweerder niet overtuigend kunnen achten de door eiser bij het nader gehoor afgelegde verklaring dat hij enkel uit nieuwsgierigheid verboden beelden heeft gekopieerd, waar eiser uit nieuwsgierigheid ook had kunnen volstaan met het eenmalig bekijken van die programma's of die programma's bij de herhaling zelfs ook nog een tweede keer had kunnen zien. Verweerder heeft eiser voorts kunnen tegenwerpen dat dit bij het nader gehoor naar voren gebrachte motief voor het opnemen van beeldmateriaal van de MKO, afwijkt voor hetgeen in bezwaar als motief daarvoor is gegeven. In bezwaar heeft eiser namelijk gesteld dat hij de beelden ook heeft gekopieerd om aan zijn vrienden te kunnen laten zien welke gruwelijkheden de Mudjaheddin pleegt.
Verder heeft verweerder niet aannemelijk kunnen achten dat eiser alleen uit nieuwsgierigheid de programma's van de MKO heeft bekeken en opgenomen, terwijl hij blijkens eigen verklaring geen sympathisant van enige politieke partij is geweest en geen politieke activiteiten heeft ontplooid. Verweerder heeft niet aannemelijk mogen achten dat eiser desondanks voor de Iraanse autoriteiten belastende televisieprogramma's van de MKO opnam en verspreidde, gelet op het grote risico dat dit inhield.
8. Voorts is niet in geschil dat eisers zich in oktober 1999 in Nederland hebben aangesloten bij de Jehova's Getuigen en zij sindsdien actief deelnemen aan predikingsactiviteiten. Niet in geschil is voorts dat zij in maart 2000 ook zijn gedoopt tot Jehova's Getuige.
Verweerder heeft de in het bestreden besluiten vervatte afwijzingen om een verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw 2000 in zoverre gebaseerd op het beleid zoals uiteengezet in onderdeel C1/4.2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) en op het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van augustus 2001 inzake de situatie in Iran.
8.1 Voornoemd, aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde, beleid ziet op zogenoemde refugiés sur place en heeft betrekking op de situatie dat iemand bij vertrek uit het land van herkomst geen vervolging te vrezen had, maar op een later tijdstip tijdens zijn verblijf buiten het land van herkomst vluchteling wordt. Er zijn twee mogelijke omstandigheden die iemand tot refugié sur place kunnen maken, namelijk
1. indien iemand ten gevolge van zijn eigen activiteiten buiten het land van herkomst gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging als hij naar dat land zou terugkeren,
2. indien tijdens het verblijf buiten het land van herkomst de omstandigheden in het land van herkomst zich zodanig wijzigen, dat iemand bij terugkeer gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging.
Verweerder heeft bij de bestreden besluiten echter miskend dat eisers zich feitelijk niet beroepen op de voornoemde twee omstandigheden, maar dat zij stellen bij terugkeer naar Iran voor vervolging te vrezen vanwege (niet hun activiteiten in Nederland, maar) hun bekering tot het Christelijk geloof, meer specifiek het zijn van Jehova's Getuigen in Iran. Verweerder heeft niet bezien en gemotiveerd of en in hoeverre bij terugkeer naar Iran voor eisers vervolging dreigt om reden van godsdienst of godsdienstige overtuiging.
8.2 Blijkens voornoemd, aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde, ambtsbericht kunnen (ook in Nederland) tot het Christendom bekeerde moslims in Iran maatschappelijk redelijk probleemloos functioneren en hebben zij bij terugkeer in beginsel niet te vrezen voor vervolging door de Iraanse overheid. Bij gebreke van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken, heeft verweerder de daarin neergelegde informatie in zoverre zonder nader onderzoek aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen en mogen afgaan op de daarin aangereikte informatie. Verweerder heeft echter niet bezien en gemotiveerd of en in hoeverre met name de door eisers aangekondigde predikingsactiviteiten in Iran tot een daadwerkelijke toekomstige vervolging (zullen) leiden. Dit klemt nog temeer nu de marges van de tolerantie door de Iraanse autoriteiten blijkens voornoemd ambtsbericht goeddeels worden bepaald door de mate waarin de bekeerling met het geloof naar buiten treedt en eisers zich op het standpunt stellen dat hun geloof tot prediking verplicht, ook in Iran.
8.3 Uit het voorgaande volgt dat de bestreden besluiten zijn genomen in strijd met de rechtsregels van artikel 3:2 Awb Pro dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen, en van artikel 7:12, eerste lid, Awb dat een beslissing op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. De beroepen zijn dan ook gegrond.
9. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,-- en wegingsfactor 1).
III. BESLISSING
De rechtbank
RECHT DOENDE:
1. verklaart de beroepen gegrond;
2. vernietigt de bestreden besluiten;
3. bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten op het bezwaarschrift neemt;
4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten aan eisers dient te vergoeden;
IV. RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Aldus gedaan door mr. M.G.W.M. Stienissen en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2003, in tegenwoordigheid van mr. M.H.A. Paapen, griffier.
afschrift verzonden op 20 juni 2003