ECLI:NL:RBSGR:2003:AH9772
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatigheid en opheffing van vreemdelingenbewaring wegens niet-omgezette grondslag
De vreemdeling werd op 6 maart 2003 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Bij beschikking van 9 april 2003 werd de asielaanvraag afgewezen, maar de beschikking werd niet aan de vreemdeling uitgereikt en de grondslag van de bewaring werd niet gewijzigd in artikel 59, eerste lid, onder a, Vw 2000.
De rechtbank oordeelt dat zonder deze omzetting de bewaring met ingang van 10 april 2003 onrechtmatig is geworden. De rechtbank constateert dat verweerder onvoldoende heeft aangetoond dat de bewaring gerechtvaardigd blijft en dat er onvoldoende perspectief is op uitzetting.
Daarom wordt de voortzetting van de bewaring opgeheven en wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van de vreemdeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring onrechtmatig is en beveelt de opheffing ervan.