ECLI:NL:RBSGR:2003:AI0716
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- E.H.B.M. Potters
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid COA tot continuering opvang na beëindiging verstrekkingen
Eisers hebben na beëindiging van hun opvang door het COA bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit en tegen de schriftelijke weigering van het COA om de opvang te continueren. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het ziet op het niet tijdig nemen van een besluit, omdat het COA inmiddels expliciet heeft geweigerd een besluit te nemen.
De rechtbank stelt vast dat het COA op grond van artikel 45 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 niet bevoegd is om de opvang voort te zetten na het afwijzen van de verblijfsaanvraag en de daarmee samenhangende beëindiging van verstrekkingen. Alleen bij bijzondere omstandigheden zou het COA bevoegd kunnen zijn, maar die zijn in deze zaak niet aannemelijk gemaakt.
De rechtbank overweegt dat het feit dat een minderjarige dochter van eisers een verblijfsvergunning heeft en dat eisers een reguliere aanvraag hebben ingediend, geen aanspraak geeft op continuering van de opvang. Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro en het Verdrag inzake de Rechten van het Kind leidt niet tot een andere conclusie. De gestelde feitelijke onmogelijkheid tot terugkeer naar Somalië is eveneens onvoldoende om de opvang te continueren.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond voor zover het gericht is tegen de schriftelijke weigering een besluit te nemen. Er zijn geen omstandigheden die leiden tot een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het COA om de opvang te continueren is ongegrond; het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk.