ECLI:NL:RBSGR:2003:AI1382
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid van vreemdelingenbewaring en beoordeling van verblijfstitel op basis van Nawijn-brief
Eiser, van Azerbeidzjaanse nationaliteit, werd op 12 juli 2003 in vreemdelingenbewaring gesteld wegens het ontbreken van een rechtmatige verblijfstitel in Nederland. Eiser voerde aan dat hij op grond van een brief aan de minister, de zogenaamde Nawijn-brief, rechtmatig verblijf genoot en dat de bewaring onrechtmatig was. Tevens stelde hij dat de bewaring niet gerechtvaardigd was wegens het ontbreken van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf en dat de belangen van zijn minderjarige zoon in Nederland in strijd waren met artikel 8 EVRM Pro en het Kinderrechtenverdrag.
De rechtbank stelde vast dat de Nawijn-brief niet als een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning kan worden beschouwd, mede gelet op de parlementaire geschiedenis en moties van de Tweede Kamer. Eiser verbleef derhalve niet rechtmatig in Nederland en viel onder de categorie vreemdelingen waarvoor bewaring kan worden opgelegd. De rechtbank oordeelde dat de bewaring niet onrechtmatig was, ook niet indien de grondslag onjuist zou zijn, omdat de belangen in redelijke verhouding stonden tot de ernst van het gebrek.
Verder werd vastgesteld dat eiser niet aan zijn vertrektermijn had voldaan en dat er voldoende zicht op uitzetting bestond. De rechtbank verwierp de stellingen van eiser over het ontbreken van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf en de onrechtmatigheid van de bewaring. Ook de aangevoerde verdragsartikelen waren niet van toepassing in deze procedure. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.