ECLI:NL:RBSGR:2003:AI1503
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L. van Es
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatig binnentreden en inbewaringstelling wegens gebrek aan redelijk vermoeden illegaal verblijf
Eiseres werd op 26 juni 2003 in bewaring gesteld wegens vermoedelijk illegaal verblijf. Zij stelde beroep in tegen deze vrijheidsontnemende maatregel en vorderde tevens schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 4 juli 2003 en constateerde dat de maatregel op 2 juli 2003 was opgeheven.
De kern van het geschil betrof de vraag of er ten tijde van het binnentreden in de woning een redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond, zoals vereist op grond van artikel 53, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder baseerde het vermoeden op een proces-verbaal met algemene verwijzingen naar anonieme meldingen en informatie uit diverse bronnen, maar kon niet concreet maken welke feiten en omstandigheden dit vermoeden onderbouwden.
De rechtbank oordeelde dat het proces-verbaal onvoldoende inzicht gaf in de concrete feiten en omstandigheden die het redelijk vermoeden rechtvaardigden. Een algemene verwijzing naar anonieme kliklijnmeldingen volstaat niet om het vermoeden te onderbouwen. Hierdoor was het binnentreden in de woning onrechtmatig, en daarmee ook de daaropvolgende staandehouding en inbewaringstelling van eiseres.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, kende eiseres een schadevergoeding toe van €570,- voor de onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelde de Staat tot betaling van de proceskosten van €644,-. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank 's-Gravenhage op 9 juli 2003.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens onrechtmatig binnentreden en inbewaringstelling; de Staat wordt veroordeeld tot schadevergoeding en proceskosten.