ECLI:NL:RBSGR:2003:AK3549
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- E.H.B.M. Potters
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortzetting vreemdelingenbewaring ondanks beroep asielafwijzing
De vreemdeling, van Mongoolse nationaliteit, was in bewaring gesteld na afwijzing van zijn asielverzoek. Hij stelde beroep in tegen de afwijzing, maar dit beroep had geen schorsende werking vanwege artikel 82, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling mocht het beroep dus niet in Nederland afwachten.
De rechtbank overwoog dat er voldoende zicht was op uitzetting, mede doordat de Mongoolse autoriteiten het onderzoek naar zijn identiteit voortzetten en de vreemdeling niet meewerkte aan dit onderzoek. Zijn non-coöperatieve houding vertraagde de procedure aanzienlijk.
Na meer dan zes maanden bewaring weegt het belang van de vreemdeling om vrijgelaten te worden in principe zwaarder, maar onder bijzondere omstandigheden, zoals frustratie van het identiteitsonderzoek, kan het belang van de overheid zwaarder wegen. De rechtbank oordeelde dat dit laatste hier het geval was en dat de bewaring terecht werd voortgezet.
De rechtbank wees het beroep tegen de bewaring af en stelde dat de voortzetting niet in strijd was met de Vreemdelingenwet 2000 en redelijk was. Er werd geen veroordeling in proceskosten uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en de bewaring wordt gehandhaafd.