ECLI:NL:RBSGR:2003:AL1741

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
24 juni 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 03/33696
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 Vw 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige voortzetting vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende voortvarendheid

Eiser, een Chinese vreemdeling, werd op 31 december 2002 in vreemdelingenbewaring gesteld. Op 2 mei 2003 werd verweerder bekend dat de Chinese autoriteiten de aanvraag voor een laissez passer hadden afgewezen. Ondanks deze kennis werd eiser pas op 5 juni 2003 gehoord en werd de correcte informatie pas op 17 juni 2003 aan de Chinese autoriteiten doorgegeven.

De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende voortvarendheid betrachtte, vooral gezien de lange duur van de bewaring. Volgens de rechtbank had verweerder binnen veertien dagen na het negatieve bericht actie moeten ondernemen. Het nalaten hiervan maakt de bewaring na deze termijn in beginsel onrechtmatig.

Eiser werkte mee aan het onderzoek en kon de foutieve gegevens op de laissez passer-aanvraag niet worden toegerekend. Er was geen sprake van frustratie van het onderzoek of andere omstandigheden die het belang van verweerder bij voortzetting van de bewaring zwaarder zouden laten wegen dan het belang van eiser bij opheffing.

De bewaring werd daarom opgeheven met ingang van de uitspraakdatum en werd vanaf 16 mei 2003 als onrechtmatig beschouwd. Daarnaast werd eiser een schadevergoeding van €2.660,00 toegekend voor de periode van onrechtmatige bewaring, en werden de proceskosten aan eiser toegekend.

Uitkomst: De bewaring werd opgeheven wegens onrechtmatigheid en eiser kreeg een schadevergoeding toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE
Zitting houdende te Assen
Vreemdelingenkamer
Regnr.: AWB 03/33696 VRONTN S4
uitspraak: 24 juni 2003
U I T S P R A A K
op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet Pro 2000 (Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende:
A,
geboren op [...] 1966
van Chinese nationaliteit,
IND-dossiernummer: 0301.02.8003,
thans verblijvende in het huis van bewaring te Ter Apel,
eiser,
gemachtigde: mr. C. van den Berg, advocaat te Zwolle,
tegen
DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE
te 's-Gravenhage,
verweerder,
gemachtigde: mw. drs. A.M. Zeeman, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
PROCESVERLOOP
Bij besluit van 31 december 2002 is eiser op de voet van artikel 59, eerste lid aanhef, onder a, Vw 2000 in bewaring gesteld.
Naar aanleiding van een eerder ingediende kennisgeving heeft de rechtbank bij uitspraak van laatstelijk 19 mei 2003 het voortduren of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring niet onrechtmatig geoordeeld.
Namens verweerder is de rechtbank op 16 juni 2003 op grond van artikel 96, vijfde lid, Vw 2000 in kennis gesteld van het voortduren van de maatregel van bewaring, opgelegd bij besluit van 31 december 2002.
Deze kennisgeving moet worden gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring.
Eiser is op 23 juni 2003 ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.
OVERWEGINGEN
Thans is aan de orde de vraag of zich sedert de sluiting van het onderzoek ter zake van de eerdere kennisgeving feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die (het voortduren van) de bewaring onrechtmatig maken. Hierbij is mede van belang of nog voldoende zicht bestaat op uitzetting van eiser.
Namens eiser is aangevoerd dat eiser aan het onderzoek heeft meegewerkt, wat ook blijkt uit het proces-verbaal van gehoor van 5 juni 2003. Aan hem kan niet worden toegerekend dat de laissez passer-aanvraag foutieve gegevens vermeldde. De tweeëneenhalve maand vertraging die hieruit voortvloeit mag niet voor rekening van eiser komen.
Om die reden is verzocht de bewaring op te heffen en schadevergoeding toe te kennen.
Eiser stelt zelf de gegevens op de laissez passer-aanvraag te hebben ingevuld, maar weet niet wat er naderhand met de aanvraag is gebeurd. Hij stelt steeds conform de waarheid te hebben verklaard en acht het niet voor de hand liggen dat hij een foutief huisnummer heeft ingevuld.
Verweerder stelt dat de vermelding van een foutief huisnummer over het algemeen niet doorslaggevend is voor de vraag of een laissez passer-aanvraag tot een positief resultaat leidt. Niet duidelijk is wie zorgdraagt voor het invullen van de gegevens van de vreemdeling op een laissez passer-aanvraag. De aanvraag is waarschijnlijk afgewezen omdat deze te weinig gegevens bevatte, reden waarom verweerder tot het gestelde "gebrek aan medewerking" heeft geconcludeerd.
Er is geruime tijd verlopen tussen de vorige zitting en het gehoor van 5 juni 2003 maar daar staat tegenover dat het de verantwoordelijkheid van eiser is om juiste en volledige gegevens te verstrekken.
De rechtbank overweegt het volgende. Reeds op 2 mei 2003 was aan verweerder bekend dat op de aanvraag van een laissez passer negatief was beslist door de Chinese autoriteiten. Op dat moment diende verweerder zich te beraden op de gevolgen van deze beslissing voor het zicht op uitzetting. Eerst op 5 juni 2003 is eiser gehoord in verband met deze weigering, terwijl de nieuwe informatie inzake het huisnummer pas op 17 juni 2003 aan de Chinese autoriteiten is doorgezonden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dusdoende onvoldoende voortvarendheid heeft betracht, dit klemt te meer nu eiser reeds geruime tijd in vreemdelingenbewaring was gesteld.
Het had op de weg van verweerder gelegen om zeker binnen veertien dagen na het negatieve bericht van de Chinese autoriteiten actie te ondernemen. Nu verweerder dit heeft nagelaten moet de bewaring na het verlopen van deze termijn in beginsel als onrechtmatig worden aangemerkt. Van omstandigheden waarom niettemin bij een afweging van alle belangen tot een ander oordeel zou moeten worden gekomen is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Niet is gebleken dat eiser weigerachtig is geweest mee te werken aan het onderzoek in verband met de laissez passer-aanvraag. Het enkele feit dat er kennelijk, onduidelijk door wie, een vergissing is gemaakt met eisers huisnummer brengt niet mee dat van een frustratie van het onderzoek gesproken kan worden. Ook van andere omstandigheden op grond waarvan het belang van verweerder bij voortduren van de bewaring zwaarder zou moeten wegen dan dat van eiser bij opheffing is niet gebleken.
De bewaring dient opgeheven te worden, terwijl de bewaring vanaf 16 mei 2003 onrechtmatig moet worden geacht. Er is aanleiding over te gaan tot toekenning van een schadevergoeding vanaf 16 mei 2003 tot de dag van in vrijheidstelling, 24 juni 2003.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig om hem ten laste van de Staat een schadevergoeding van € 70,00 per dag toe te kennen voor de 38 dagen die hij vanaf 16 mei 2003 heeft doorgebracht in het huis van bewaring. Dit betekent dat een schadevergoeding van € 2.660,00 zal worden toegekend.
Nu het beroep gegrond wordt verklaard bestaat aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door de vreemdeling gemaakte proceskosten, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden.
BESLISSING
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van de bewaring met ingang van heden;
- kent aan de vreemdeling ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding toe van € 2.660,00;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 322,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.I. Klaassens, rechter, in tegenwoordigheid van mr. H.J. de Groot als griffier en uitgesproken op 24 juni 2003.
Afschrift verzonden: 2 juli 2003