ECLI:NL:RBSGR:2003:AL1809
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning wegens onvoldoende motivering vervolgingsgevaar etnisch Armeense afkomst
Eiser, van etnisch Armeense afkomst en afkomstig uit Azerbeidzjan, verzocht om een verblijfsvergunning op grond van het Vluchtelingenverdrag. De Minister wees dit af met de stelling dat er geen sprake was van vluchtelingenrechtelijke vervolging op grond van etnische afkomst in Azerbeidzjan.
De rechtbank onderzocht het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken, waaruit bleek dat tussen 1988 en 1992 sprake was van groepsvervolging van etnisch Armeniërs en gemengd gehuwden in Azerbeidzjan. Na 1994 vonden geen etnische zuiveringen meer plaats, maar dit werd toegeschreven aan het feit dat vrijwel geen personen van Armeense afkomst meer in Azerbeidzjan verbleven.
De rechtbank oordeelde dat de Minister zijn standpunt niet had gemotiveerd en dat het ambtsbericht juist wijst op het bestaan van vervolgingsgevaar in de relevante periode. De afwijzing van de aanvraag was daarom ondeugdelijk. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit en beval een nieuwe beslissing binnen zes weken, waarbij rekening moet worden gehouden met de situatie van eiser.
Daarnaast werd de Staat veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €966 aan eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd wegens ondeugdelijke motivering.