ECLI:NL:RBSGR:2003:AL8187
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen weigering verblijfsvergunning asiel na onvoldoende geloofwaardigheid
Eiser, een Somalische nationaliteithebbende asielzoeker, diende op 17 juli 1997 een aanvraag in voor toelating als vluchteling. Na de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 werd dit aangemerkt als een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke bij besluit van 29 mei 2001 werd afgewezen. Eiser stelde dat hij vanwege zijn joodse geloof en de onmogelijkheid dit in Jemen vrij te belijden, bescherming zocht.
De rechtbank overwoog dat verweerder het asielrelaas van eiser niet geloofwaardig achtte, onder meer omdat eiser de Somalische taal niet sprak, geen kennis had van de clan waartoe hij zou behoren, en onvoldoende kon antwoorden op vragen over het joodse geloof. Ook bleek uit het nader gehoor dat eiser tegenstrijdige verklaringen had afgelegd over zijn geloof en verblijfplaats.
De rechtbank sluit zich aan bij de overwegingen van verweerder en het individueel ambtsbericht van 5 november 1997, waarin werd geconcludeerd dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag gegrond is. Tevens is expliciet getoetst aan het driejarenbeleid, waarbij de weigering van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd mede verband houdt met het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op de asielaanvraag.
De rechtbank oordeelt dat eiser eerst een bezwaarschrift moet indienen tegen deze weigering en wijst het beroep ongegrond. Een beroep op artikel 8 EVRM Pro wordt verworpen omdat dit niet leidt tot verlening van een verblijfsvergunning asiel. De rechtbank veroordeelt eiser niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de weigering van een verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.