ECLI:NL:RBSGR:2003:AM2509
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot behandeling verblijfsvergunningaanvraag ondanks niet-betaling leges
Verzoeker, houder van een verblijfsvergunning, diende een aanvraag in voor verlenging van zijn vergunning. Verweerder stelde deze aanvraag buiten behandeling omdat de leges niet waren betaald. De voorzieningenrechter oordeelde eerder dat verweerder de wettelijke termijn van vier weken voor buitenbehandelingstelling niet had gerespecteerd en dat de aanvraag daarom in behandeling had moeten worden genomen.
Ondanks deze uitspraak stelde verweerder de aanvraag opnieuw buiten behandeling, wat door de voorzieningenrechter als een miskenning van het gezag van het rechterlijk vonnis werd beschouwd. Verweerder stelde dat artikel 24, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 een lex specialis vormde en de termijn uit artikel 4:5 Awb Pro niet van toepassing was, maar dit werd verworpen.
De voorzieningenrechter verklaarde het bezwaar gegrond, vernietigde het besluit van 25 september 2003, en bepaalde dat verweerder binnen vier weken de aanvraag alsnog in behandeling moet nemen. Tevens werd een dwangsom opgelegd voor het geval verweerder niet aan deze uitspraak voldoet en werd verweerder veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit tot buitenbehandelingstelling en beveelt behandeling van de aanvraag binnen vier weken onder dreiging van een dwangsom.