ECLI:NL:RBSGR:2003:AM2616

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
26 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 03/40508
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 4 OvDArt. 29 Vw 2000Art. 30 Vw 2000Art. 33 Vw 2000
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nederland verantwoordelijk voor asielaanvraag ondanks verblijfsvergunning gezinsleden voor onbepaalde tijd

Eiser, van Afghaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder wees deze aanvraag af omdat Oostenrijk verantwoordelijk zou zijn volgens de Dublinovereenkomst. Eiser stelde dat Nederland zijn asielaanvraag moest behandelen omdat zijn vrouw en kinderen in Nederland verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd bezaten.

De rechtbank beoordeelde het beleid zoals neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 2000 en het toepasselijke artikel 3, vierde lid, van de Overeenkomst van Dublin. De rechtbank concludeerde dat het beleid ook van toepassing is wanneer gezinsleden een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd hebben, mits zij daarvoor een vergunning voor bepaalde tijd hadden ontvangen. Dit strookt met artikel 4 van Pro de Overeenkomst van Dublin, waarin geen beperking is opgenomen over de duur van het verblijf.

De rechtbank vernietigde de bestreden beschikking en bepaalde dat verweerder opnieuw moet beslissen op de aanvraag, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de beschikking en bepaalt dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE
nevenzittingsplaats Zwolle
sector vreemdelingenrecht
regnr.: Awb 03/40508
UITSPRAAK
inzake: A,
geboren op [...] 1965,
van Afghaanse nationaliteit,
IND dossiernummer 0207.03.8066,
gemachtigde: mr. G. Tuenter, advocaat te Apeldoorn,
eiser;
tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE
(Immigratie- en Naturalisatiedienst),
te 's-Gravenhage,
vertegenwoordigd door mr. drs. A.T. Roose, ambtenaar ten departemente,
verweerder.
1 Procesverloop
1.1 Op 3 juli 2002 heeft eiser een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij beschikking van 26 juni 2003 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
1.2 Bij brief van 24 juli 2003 heeft eiser beroep ingesteld tegen deze beschikking. Het beroep is ter zitting van 19 september 2003 behandeld. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.
2 Toetsingskader
2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.
De rechtbank zal daarom bij de beoordeling van het beroep toepassing geven aan artikel 83 Vw Pro 2000 en rekening houden met feiten en omstandigheden die na het nemen van de bestreden beschikking zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.
3 Overwegingen
3.1 Een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw Pro 2000 wordt afgewezen indien een ander land partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag (artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000).
3.2 Onbetwist is dat eiser Nederland is binnengereisd via Oostenrijk. Oostenrijk heeft de door verweerder gelegde claim op grond van artikel 8 Overeenkomst Pro van Dublin (OvD) geaccepteerd. Oostenrijk is daarom in beginsel verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek.
3.3 Eiser heeft aangevoerd dat Nederland ook zijn asielaanvraag moet behandelen omdat zijn echtgenote en kinderen hier te lande in het bezit zijn van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Er wordt voldaan aan het bepaalde in paragraaf C1/2.2.3.5 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc2000), nu zij in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en in het beleid niet de beperking is opgenomen dat deze vergunning niet nadien mag zijn omgezet in een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
3.4 In de bestreden beschikking heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het beleid zoals opgenomen in Vc2000, C1/2.2.3.5 alleen van toepassing is wanneer het desbetreffende gezinslid in het bezit is gesteld van een asielvergunning voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder b tot en met d, Vw2000. Nu de echtgenote en kinderen van eiser inmiddels in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd kan een beroep op bovengenoemd beleid niet slagen.
De echtgenote van eiser is Nederland op 25 augustus 1998 binnengereisd, terwijl eiser pas op 26 juni 2002 is binnengekomen.
Het staat eiser voorts vrij een aanvraag voor een vergunning voor bepaalde tijd regulier in te dienen.
3.5 De rechtbank oordeelt als volgt.
Artikel 4 OvD Pro bepaalt dat wanneer een gezinslid van de asielzoeker als vluchteling is toegelaten in de zin van het Verdrag van Genève, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York, in een Lid-Staat is erkend en legaal in deze Lid-Staat verblijft, is deze Staat verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek, mits de betrokkenen zulks wensen. Het betrokken gezinslid mag slechts zijn de echtgenoot van de asielzoeker, diens ongehuwde kind beneden de 18 jaar, of, indien de asielzoeker zelf een ongehuwd kind beneden de 18 jaar is, diens vader of moeder.
Op grond van het bepaalde in paragraaf C1/2.2.3.5 Vc2000 trekt Nederland, in aanvulling op de verplichting voortvloeiend uit artikel 4 OvD Pro, onder bepaalde voorwaarden de behandeling van de asielaanvraag tevens (onverplicht) aan zich indien de asielzoeker een gezinslid is van een vreemdeling die een asielvergunning voor bepaalde tijd heeft gekregen op grond van artikel 29, eerste lid, onder b tot en met d, Vw2000. Nederland maakt in dergelijke gevallen gebruik van de discretionaire bevoegdheid van Lidstaten om de behandeling van een asielverzoek onverplicht aan zich te trekken, als neergelegd in artikel 3, vierde lid, OvD.
De rechtbank is van oordeel dat dit beleid zo dient te worden uitgelegd dat het van toepassing is op gevallen als het onderhavige, waarin het gezinslid direct voorafgaand aan de verlening van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd asiel in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, b, c of d, Vw2000 en derhalve op enig moment een dergelijke vergunning voor bepaalde tijd heeft gekregen. Uit de bewoordingen van het beleid blijkt immers niet dat de op enig moment verkregen verblijfsvergunning asiel na ommekomst van de geldigheidsduur van de vergunning voor bepaalde tijd niet mag zijn verleend voor onbepaalde tijd. Een andere uitleg van dit beleid zou bovendien niet stroken met het bepaalde in artikel 4 OvD Pro, nu in deze bepaling geen beperking is opgenomen met betrekking tot de duur van het toegestane verblijf als vluchteling. Nu verweerder in het beleid een gelijkstelling heeft beoogd van de gronden voor verlening van een verblijfsvergunning asiel, brengt dit naar het oordeel van de rechtbank met zich mee dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, ook indien het gezinslid inmiddels een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 Vw2000 bezit. De rechtbank acht ten slotte van belang dat verweerder, met de verlening van de vergunning asiel voor onbepaalde tijd, van oordeel is geweest dat op dat moment de rechtsgrond voor verlening van de vergunning voor bepaalde tijd zich nog steeds voordeed, omdat de aanvraag om verlening van de vergunning voor onbepaalde tijd anders zou zijn afgewezen op grond van artikel 34 Vw2000.
3.6 Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en wordt de bestreden beschikking vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 Algemene Pro wet bestuursrecht.
3.6 Er bestaat aanleiding voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
4 BESLISSING
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de beschikking van 26 juni 2003;
- draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op de aanvraag;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eiser gemaakte proceskosten ad € 966 onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank dient te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Eelsing en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.C. Korevaar als griffier op 26 september 2003.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.
Artikel 85 Vw Pro 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb Pro (herstel verzuim) is niet van toepassing.
Afschrift verzonden: 29 september 2003