ECLI:NL:RBSGR:2003:AM3129
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen weigering verblijfsvergunning Tsjetsjeense asielzoeker gegrond verklaard
Eiser, een Tsjetsjeense asielzoeker, verzocht om een verblijfsvergunning in Nederland, welke door de Immigratie- en Naturalisatiedienst werd geweigerd. De rechtbank oordeelde dat eiser geen vluchteling was in de zin van het Vluchtelingenverdrag, maar dat er onvoldoende onderzoek was gedaan naar het risico dat eiser bij terugkeer zou worden onderworpen aan foltering of onmenselijke behandeling, zoals vastgelegd in artikel 3 EVRM Pro en het Antifolterverdrag.
De rechtbank nam het asielrelaas van eiser serieus, waarin hij mishandeling en willekeurige detentie in een infiltratiekamp beschreef. Tevens werd vastgesteld dat het Russische regime Tsjetsjenen ernstig discrimineert, onder meer door het ontbreken van een effectief categoriaal beschermingsbeleid en het vrijwel onmogelijk maken van vestiging buiten Tsjetsjenië. De rechtbank vond dat verweerder onvoldoende had onderzocht of eiser bij terugkeer opnieuw zou worden geïnterneerd in een dergelijk kamp.
Het beroep werd daarom gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw te beslissen met inachtneming van de overwegingen. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en werd een voorlopige voorziening getroffen die verwijdering van eiser uit Nederland tot vier weken na de nieuwe beslissing verbiedt.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering van de verblijfsvergunning wordt vernietigd.