ECLI:NL:RBSGR:2003:AN4544
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- De Boer
- Kuijer
- Van Maurik
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid wegens overschrijding redelijke termijn in strafzaak levensbeëindiging
De rechtbank 's-Gravenhage behandelde een strafzaak waarin verdachte werd verdacht van levensbeëindigende handelingen verricht op 28 april 1999. De verdediging voerde aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard moest worden wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn aanvangt op het moment van het eerste politieverhoor op 2 september 2000, en niet bij de melding aan het College van Procureurs-Generaal. Uit het dossier bleek een aanzienlijke vertraging in de procedure, zonder dat het Openbaar Ministerie deze vertraging kon rechtvaardigen of het maatschappelijk belang bij berechting boven het belang van verdachte kon stellen.
Gezien de ernst van het feit, namelijk een zwaar levensdelict, en de specifieke context van de gedragingen als arts, overwoog de rechtbank dat de juridische kwalificatie 'moord' hier een technische term is die afwijkt van het maatschappelijke gevoelen. De langdurige onzekerheid en psychische belasting voor verdachte, mede door zijn artsenstatus, woog zwaar mee.
De rechtbank concludeerde dat strafvermindering of andere sancties onvoldoende compensatie bieden voor de overschrijding. Daarom werd het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens een zeer grote overschrijding van de redelijke termijn.