ECLI:NL:RBSGR:2003:AN7326

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
16 juni 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 02/58714
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep vreemdelingenrecht wegens termijnverlenging

Opposant had beroep ingesteld dat door de rechtbank 's-Gravenhage niet-ontvankelijk werd verklaard op grond van artikel 8:54 Awb Pro. Tegen deze uitspraak werd verzet ingesteld. Opposant stelde dat de termijn voor het indienen van de gronden was verlengd en dat de behandeling van het beroep was overgedragen aan de rechtbank Rotterdam, waardoor gemachtigde de gronden binnen de gestelde termijn bij Rotterdam had ingediend.

De rechtbank oordeelde dat het Centraal Intakebureau Vreemdelingenzaken het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening abusievelijk aan twee rechtbanken had doorgeleid. Door de verlenging van de termijn en de brief van Rotterdam mocht gemachtigde aannemen dat de behandeling was overgedragen en dat de termijn conform Rotterdam was vastgesteld.

Daarom was de niet-ontvankelijkverklaring onterecht en werd het verzet gegrond verklaard. De eerdere uitspraak vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en het beroep wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage
sector bestuursrecht
vreemdelingenkamer, enkelvoudig
__________________________________________________
UITSPRAAK
ingevolge artikel 8:55 Algemene Pro wet bestuursrecht
__________________________________________________
Reg.nr.: AWB 02/58714 VRWET
Inzake : A, opposant, woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. D. Schaap, advocaat te Rotterdam.
I. OVERWEGINGEN
1. Bij uitspraak van deze rechtbank van 27 september 2002 is het beroep van opposant (met bovengenoemd registratienummer) met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard.
Op 11 oktober 2002 heeft opposant verzet gedaan tegen deze uitspraak.
2. In dit geding dient te worden beoordeeld of de rechtbank genoemd beroep van opposant terecht met toepassing van artikel 8:54 Awb Pro niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3. In verzet heeft opposant, samengevat en voor zover van belang, aangevoerd dat de termijn voor het indienen van de gronden van het beroep door de rechtbank 's-Gravenhage is verlengd tot en met 19 september 2002. Bij brieven van de rechtbank 's-Gravenhage zittinghoudende te Rotterdam van 17 september 2002 is de ontvangst van het beroepschrift en het verzoekschrift tot het treffen van een voorlopige voorziening bevestigd. In beide brieven is tevens vermeld dat de gronden van het beroep en van het verzoek binnen vier weken na dagtekening van deze brief bij de rechtbank 's-Gravenhage zittingsplaats Rotterdam dienen te worden ingediend. Gemachtigde van opposant heeft uit deze brieven afgeleid dat de behandeling van het beroep en het verzoek door de rechtbank 's-Gravenhage was overgedragen aan de rechtbank te Rotterdam en dat laatstgenoemde rechtbank een nieuwe termijn had gesteld voor het indienen van de gronden van het beroep. Gemachtigde heeft derhalve geen gronden van het beroep ingediend bij de rechtbank 's-Gravenhage.
4. De rechtbank is gelet op de stukken en hetgeen opposant in verzet heeft aangevoerd van oordeel dat het beroep ten onrechte met toepassing van artikel 8:54 Awb Pro niet-ontvankelijk is verklaard. Zij overweegt daartoe dat het Centraal Intakebureau Vreemdelingenzaken te Haarlem het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening abusievelijk zowel aan de rechtbank 's-Gravenhage als aan de rechtbank 's-Gravenhage zittinghoudende te Rotterdam heeft doorgeleid. Mede gezien de bij schrijven van 3 september 2002 door de rechtbank 's-Gravenhage toegestane verlenging van de termijn voor het indienen van de gronden tot en met 19 september 2002 en de datum van het schrijven van de rechtbank Rotterdam - 17 september 2002 -, waarin de ontvangst van het beroepschrift is bevestigd en waarin is medegedeeld de gronden van het beroep binnen vier weken in te dienen heeft gemachtigde van opposant kunnen concluderen dat het beroep niet langer door de rechtbank 's-Gravenhage zou worden behandeld. Tevens mocht gemachtigde er vanuit gaan dat de termijn voor het indienen van de gronden de termijn is geworden zoals die is gesteld in het schrijven van de rechtbank Rotterdam van 17 september 2002. Gemachtigde heeft de gronden van het beroep binnen de door de rechtbank Rotterdam gestelde termijn bij de rechtbank Rotterdam ingediend.
5. Het verzet is derhalve gegrond. Dit betekent dat de uitspraak vervalt en dat het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
II. BESLISSING
De Rechtbank 's-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
verklaart het verzet gegrond.
Aldus gedaan door mr. M. van Nooijen en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2003, in tegenwoordigheid van mr. J.M.M van Fessem, griffier.
afschrift verzonden op: 23 juni 2003
RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.