ECLI:NL:RBSGR:2003:AN8603
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen weigering vergunning verblijf Iraanse asielzoeker op grond van TBV 1999/22
Eiseres, een Iraanse asielzoeker, verzocht om een vergunning tot verblijf op grond van het bijzondere driejarenbeleid zoals neergelegd in het TBV 1999/22. Haar aanvraag werd geweigerd vanwege een contra-indicatie, namelijk een eerder gepleegd misdrijf (winkeldiefstal) waarvoor zij een transactie had aanvaard.
De rechtbank oordeelt dat het beleid van TBV 1999/22 een gefixeerde peildatum kent (25 juni 1999) en dat een eenmaal gepleegd misdrijf blijvend kan worden tegengeworpen binnen dit beleid. Het gunstiger beleid van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is niet van toepassing op aanvragen onder het TBV 1999/22.
Hoewel een eerdere voorlopige voorziening het besluit van de IND had vernietigd, was dit slechts een voorlopig oordeel. De rechtbank volgt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat het gunstiger beleid niet met terugwerkende kracht kan worden toegepast. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt wegens gebrek aan een bestendige afwijkende gedragslijn.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning. Partijen kunnen binnen vier weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de verblijfsvergunning op grond van TBV 1999/22 wordt ongegrond verklaard vanwege contra-indicaties en het blijvend tegenwerpen van een misdrijf.