ECLI:NL:RBSGR:2003:AN9820
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- E.H.B.M. Potters
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzetting ongewenst verklaarde vreemdeling
Verzoeker, een burger van de voormalige Federale Republiek Joegoslavië, heeft een voorlopige voorziening gevraagd om zijn uitzetting op te schorten totdat op zijn bezwaar tegen de afwijzing van zijn verblijfsvergunning is beslist. Hij was ongewenst verklaard bij een onherroepelijk besluit. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker geen spoedeisend belang had bij de voorlopige voorziening, omdat de ongewenstverklaring inhoudt dat ook een positieve uitkomst van het bezwaar geen rechtmatig verblijf oplevert.
De procedure betrof een aanvraag om verblijf bij een Nederlandse partner, afgewezen door de minister. Verzoeker had tegen dit besluit bezwaar gemaakt en beroep ingesteld, maar de bezwaarprocedure was nog niet afgerond. Tijdens de zitting was verzoeker niet verschenen. De voorzieningenrechter baseerde zich op artikel 67, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, dat ongewenst verklaarde vreemdelingen geen rechtmatig verblijf kunnen ontlenen aan een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het verzoek om voorlopige voorziening daarom moest worden afgewezen, en dat verzoeker verplicht is Nederland te verlaten ongeacht de uitkomst van het bezwaar. Er werd geen aanleiding gezien voor een kostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen uitzetting wordt afgewezen omdat de ongewenstverklaring onherroepelijk is en geen rechtmatig verblijf oplevert.