ECLI:NL:RBSGR:2003:AN9873
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende bewijs vervolgingsgevaar en nationaliteit
Verzoekers, van Azerbeidzjaanse nationaliteit, dienden een herhaalde aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, stellende dat zij vanwege hun staatloosheid en bekering tot het christendom vervolging vrezen. De Immigratie- en Naturalisatiedienst wees de aanvraag af, waarna verzoekers beroep instelden bij de rechtbank.
De rechtbank overwoog dat de situatie in Azerbeidzjan niet zodanig is dat asielzoekers uit dat land automatisch als vluchteling worden aangemerkt. Verzoekers moesten persoonlijke feiten en omstandigheden aantonen die hun vrees voor vervolging rechtvaardigen. De rechtbank achtte het onaannemelijk dat verzoekers vanwege hun bekering tot het christendom vervolging zouden ondervinden, mede omdat de Azerbeidzjaanse autoriteiten hiervan niet op de hoogte zijn en de aangevoerde bronnen onvoldoende objectief waren.
Ook de combinatie van bekering en gemengde afkomst bood geen voldoende grond voor vervolgingsgevaar. Verder was er geen sprake van klemmende humanitaire redenen die een verblijfsvergunning rechtvaardigen. Verzoekers brachten geen nieuwe feiten aan die de eerdere vaststelling van hun Azerbeidzjaanse nationaliteit zouden weerleggen. De rechtbank zag daarom geen aanleiding om het eerdere besluit te herzien.
Ten aanzien van de voorlopige voorziening oordeelde de rechtbank dat, nu het beroep ongegrond werd verklaard, geen grond bestond voor het treffen van een voorlopige voorziening. De verzoeken om voorlopige voorziening werden afgewezen en de beroepen ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.