ECLI:NL:RBSGR:2003:AO1333
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewaring vreemdeling met verlopen laissez-passer en beschikbaarheid noodzakelijke documenten
De vreemdeling, met de Chinese nationaliteit, werd in bewaring gesteld omdat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland had. De bewaring werd opgelegd op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet Pro 2000, waarbij verweerder stelde dat de noodzakelijke documenten voor terugkeer binnen korte tijd beschikbaar zouden zijn.
De gemachtigde van de vreemdeling voerde aan dat bij aanvang van de bewaring slechts een verlopen laissez-passer aanwezig was, waardoor de bewaring onrechtmatig zou zijn. De rechtbank oordeelde dat de beoordeling van de beschikbaarheid van documenten slechts marginaal mag worden getoetst en dat het feit dat acht dagen na aanvang een geldig laissez-passer beschikbaar was, voldoende is om de bewaring te rechtvaardigen.
Verder werd geoordeeld dat verweerder niet verplicht is een kopie van het laissez-passer te overleggen, tenzij er aanleiding is om aan de juistheid van de stellingen te twijfelen. De rechtbank vond geen bijzondere omstandigheden die de bewaring zouden weerleggen en wees het verzoek om schadevergoeding af. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.