ECLI:NL:RBSGR:2004:AO3420
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum categoriaal beschermingsbeleid voor Centraal-Irakezen
Eiser, van Iraakse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van bijzondere hardheid vanwege de situatie in Centraal-Irak. Na een eerdere afwijzing en bezwaarprocedures verleende verweerder uiteindelijk een verblijfsvergunning met ingang van 25 november 2002. Eiser voerde aan dat de ingangsdatum van het beschermingsbeleid eerder moest worden vastgesteld, namelijk op 20 november 1998, omdat toen het eerdere beleid werd beëindigd en Noord-Irak geen verblijfsalternatief bood.
De rechtbank overwoog dat de beleidsbeslissing van 1998 reeds in eerdere uitspraken was getoetst en dat het beroep zich uitsluitend richtte op de ingangsdatum van het huidige d-grondbeleid. Gezien de ruime beleidsvrijheid van verweerder en de feitelijke omstandigheden, waaronder het niet toelaten van Centraal-Irakezen door de Koerdische partijen KDP en PUK, achtte de rechtbank het niet onredelijk dat de ingangsdatum werd vastgesteld op 25 november 2002.
De rechtbank wees erop dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deze datum ook als aanvaardbaar had beoordeeld. De door eiser aangevoerde gegevens konden de beleidsvrijheid van verweerder niet beperken. Daarom werd het beroep voor zover gericht tegen de ingangsdatum ongegrond verklaard en het beroep tegen het eerdere besluit niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van belang.
De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van de Rechtbank 's-Gravenhage op 29 januari 2004 en is onherroepelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de ingangsdatum van het categoriaal beschermingsbeleid voor Centraal-Irakezen wordt ongegrond verklaard.