De commissie heeft in haar advies overwogen dat de vraag welke indieners van bezwaarschriften als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid van de Awb kunnen worden beschouwd ingeval van verlening van een bouwvergunning, moet worden beantwoord aan de hand van het in de jurisprudentie ontwikkelde nabijheids- en zichtcriterium. Personen die niet in Leiden dan wel niet op relatief korte afstand van de betreffende panden wonen en daar geen zicht op hebben en evenmin uit anderen hoofde enig belang of recht hebben dat rechtstreeks bij de vergunningverlening betrokken is, kunnen niet als belanghebbenden worden aangemerkt.
Bezwaren, ingediend door personen die tot laatstgenoemde categorie behoren acht de commissie niet ontvankelijk. De commissie heeft wel enige voorbeelden genoemd van personen die wel en die niet als belanghebbenden zijn aan te merken, doch de bezwaarschriften van de individuele indieners zijn verder niet aan de hand van het genoemde criterium getoetst. De commissie heeft zich, nu vaststaat dat er in elk geval ontvankelijke bezwaarschriften zijn ingediend die in volle omvang de verleende vrijstelling en bouwvergunning aanvechten, beperkt tot de vraag of de heroverweging aanleiding behoort te zijn het besluit te herroepen.
De rechtbank acht deze handelwijze niet juist. Tegen verweerders besluit is een zeer groot aantal, deels gelijkluidende, bezwaarschriften ingediend. De wettelijke regeling, zoals blijkend uit artikel 7:11, eerste lid, van de Awb, gaat uit van een individuele beoordeling van elk bezwaarschrift op het punt van ontvankelijkheid. Blijkbaar acht verweerder in een situatie als hier aan de orde, waarbij vast staat dat een integrale inhoudelijke toetsing van het aangevochten besluit toch zal plaatsvinden, beoordeling en beslissing van alle afzonderlijke bezwaarschriften op het punt van ontvankelijkheid om praktische redenen niet nodig. Dit is echter onvoldoende om het wettelijk voorschrift ter zijde te stellen, reeds vanwege de mogelijkheid voor iedere bezwaarmaker om in beroep de jegens hem genomen beslissing gericht te kunnen bestrijden. Verweerder had aan de hand van het door hem gehanteerde criterium voor ontvankelijkheid bij zijn beslissing expliciet onderscheid dienen te maken tussen de ontvankelijke bezwaren van belanghebbenden (omwonenden) en de niet-ontvankelijke bezwaren van anderen die niet kunnen worden geacht negatieve gevolgen van de uitvoering van het bouwplan te ondervinden. Daarvoor was overigens geen zeer omvangrijk onderzoek nodig. De rechtbank leidt uit de nadere schriftelijke inlichtingen die zij heeft ontvangen van eiseres sub 3. af dat zich in de groep personen namens wie deze eiseres mede in beroep is gekomen slechts vijf belanghebbende omwonenden bevinden ([omwonenden 1 t/m 5]).
Bovendien acht de rechtbank verweerders oordeel ten aanzien van de ontvankelijkheid niet juist, nu daarin geen onderscheid is gemaakt tussen de gebruikers van de huidige panden aan de Koppenhinksteeg en de Hooglandse Kerkgracht en de overige bezwaarden. Deze gebruikers zijn eiseressen sub 1. en 2. en een aantal personen namens wie eiseres sub 3. in beroep is gekomen. Eiseres sub 3 is een vereniging van gebruikers van de panden en sympathisanten van deze gebruikers. Blijkens haar statutaire doelstelling streeft zij na: “het behoud van de vrijplaats, gesitueerd in de panden in de Koppenhinksteeg te Leiden.”. Gezien deze doelstelling moet eiseres sub 3. op één lijn worden gesteld met de gebruikers van de panden.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze gebruikers, met inbegrip van eiseres sub 3., niet als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb aan te merken.
De gebruikers ontlenen hun belang aan hun positie in het bestaande gebruik van de ruimten en voorzieningen in de panden, welk gebruik tot dusverre, al dan niet op basis van overeenkomsten met de eigenaar(s) van deze panden, plaatsvindt. Het enkele gegeven dat voor dit gebruik na uitvoering van het bouwplan geen plaats meer zal zijn betekent niet dat het belang van deze gebruikers rechtstreeks bij het besluit tot vrijstelling en vergunningverlening is betrokken. De beëindiging van het bestaande gebruik wordt veroorzaakt door de beslissing van de eigenaar(s) om de panden niet langer voor dat doel te laten aanwenden. Deze beslissing houdt hier verband met het plan tot verbouw en nieuwbouw, maar dat is geen noodzakelijk verband. De gebruikers zijn immers voor hun positie afhankelijk van de eigenaar(s), en ook om andere redenen had het gebruik kunnen worden beëindigd.
De aanvraag en het daarop door verweerder genomen besluit betreffen de situatie waarin het huidige gebruik er niet meer is. De vergunningverlening is aldus niet de oorzaak van de beëindiging van dat gebruik. Hoezeer ook de gebruikers zich feitelijk getroffen achten, hun huidige positie ten opzichte van de panden maakt hen niet tot belanghebbenden bij het besluit, nu op voorhand vaststaat dat die positie en een daaraan te ontlenen belang bij uitvoering van het bouwplan er al niet meer zullen zijn. Deze gebruikers kunnen derhalve geen gevolgen van de (uitvoering van) de vergunning, bijvoorbeeld de ruimtelijke uitstraling van het bouwplan, ondervinden, zodat van rechtstreekse betrokkenheid bij het besluit geen sprake is. Verweerder had derhalve de bezwaarschriften van deze gebruikers niet-ontvankelijk moeten verklaren.