ECLI:NL:RBSGR:2004:AO6158
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vrijheidsontnemende maatregel na onvoldoende motivering voortzetting
De vreemdeling, van Egyptische nationaliteit, werd op 1 november 2003 de toegang tot Nederland geweigerd en ondervond een vrijheidsontnemende maatregel op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Na een eerdere ongegrondverklaring van beroep tegen deze maatregel, stelde de vreemdeling hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening, welke door de Raad van State werd toegewezen.
Verweerder handhaafde de vrijheidsontneming en beriep zich op analoge toepassing van beleidsregels uit de Vreemdelingencirculaire, stellende dat de voorlopige voorziening procedureel was toegekend en daarom de maatregel mocht worden voortgezet. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd dat de toewijzing van de voorlopige voorziening louter procedureel was, mede omdat de uitspraak van de Raad van State dit niet ondubbelzinnig aangaf.
De rechtbank concludeerde dat de voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel niet redelijk gerechtvaardigd was en beval de opheffing ervan met ingang van de datum van verzending van het vonnis. Tevens veroordeelde zij verweerder tot betaling van de proceskosten ten gunste van de vreemdeling.
Uitkomst: De rechtbank beveelt opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel wegens onvoldoende motivering van voortzetting.