ECLI:NL:RBSGR:2004:AO7580
Rechtbank 's-Gravenhage
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van bewaring vreemdeling en toepassing artikel 5 EVRM bij uitzettingsprocedure
Eiser, een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf en met meerdere aliassen, werd op 19 februari 2004 in bewaring gesteld met het oog op uitzetting. Hij stelde dat de rechtbank te laat over zijn detentie oordeelde en dat zijn bewaring in strijd was met artikel 5 EVRM Pro, verwijzend naar een recente EHRM-uitspraak.
De rechtbank overwoog dat de bewaring plaatsvond volgens de wettelijke bepalingen van de Vreemdelingenwet 2000 en dat de uitzettingsprocedure conform artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, EVRM verliep. Er was geen sprake van voortgezette detentie zonder wettelijke grondslag. De rechtbank vond geen schending van de termijn zoals bedoeld in artikel 94, tweede lid, Vw.
Verder werd geoordeeld dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting, mede gezien de complexiteit door de vele aliassen van eiser. Eiser kon zijn uitzetting versnellen door meer informatie te verstrekken over zijn identiteit.
De rechtbank concludeerde dat de bewaring gerechtvaardigd was vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf, het ontbreken van geldige identiteitsdocumenten en het vermoeden dat eiser zich aan uitzetting zou onttrekken. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.