ECLI:NL:RBSGR:2004:AO8117
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken familierechtelijke relatie bij gezinshereniging
Eiser, van Iraakse nationaliteit, verzocht via zijn wettelijk vertegenwoordiger (referent) om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in Nederland met het doel gezinshereniging bij zijn ouders. Verweerder wees de aanvraag op 18 juni 1999 af. Eiser maakte bezwaar en stelde dat er een gezinsband bestond en dat de weigering in strijd was met artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelde dat de aanvraag een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betrof en dat het beroep ontvankelijk was. Vervolgens werd beoordeeld of verweerder de weigering redelijk had genomen. De Vreemdelingenwet 2000 en het Vreemdelingenbesluit 2000 waren van toepassing, die vereisen dat een minderjarig kind juridisch en feitelijk behoort tot het gezin van de referent.
Omdat de juridische documenten niet konden worden gelegaliseerd, werd DNA-onderzoek ingezet. Dit onderzoek wees negatief uit voor een familierechtelijke relatie tussen eiser en referent. Eiser kon dit resultaat niet overtuigend weerleggen, ook niet door het aanbod van contra-expertise te benutten. De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht twijfelde aan de familierechtelijke relatie en de mvv mocht weigeren.
Het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalde omdat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens geen algemene verplichting tot gezinshereniging oplegt en de rechtbank het oordeel van verweerder kon toetsen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf wordt afgewezen wegens het ontbreken van een familierechtelijke relatie.