ECLI:NL:RBSGR:2004:AO9359
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling stabiele arbeidsmarktpositie bij beëindiging verblijfsvergunning verblijf bij partner
Eiser, van Turkse nationaliteit, had een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn Nederlandse partner, die op 11 mei 2001 verliep. Na de verbreking van de relatie op 25 juli 2000 bleef eiser werken en had hij op 11 mei 2001 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij dezelfde werkgever. Verweerder had de peildatum voor het recht op legale arbeid gesteld op de datum van verbreking van de relatie, maar de rechtbank oordeelt dat dit onjuist is omdat de intrekking van de vergunning een bevoegdheid is en niet verplicht.
De rechtbank volgt de jurisprudentie van het HvJEG (Sevince en Kus) dat legale arbeid een stabiele en niet voorlopige situatie vereist. De periode na 11 mei 2001 tot de beslissing in 2002 kan niet als stabiel worden aangemerkt, maar de periode tot 11 mei 2001 wel. Eiser had verweerder direct na de verbreking geïnformeerd, en verweerder had geen gebruik gemaakt van de intrekkingsbevoegdheid.
Daarom wordt het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten en wordt de Staat der Nederlanden aangewezen voor vergoeding van griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de aanvraag tot wijziging van de verblijfsvergunning wordt vernietigd.