ECLI:NL:RBSGR:2004:AO9373
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- E.R. Houweling
- M.C.R. Derkx
- P. Vrolijk
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling uitgesloten van vluchtelingenstatus wegens betrokkenheid bij misdrijven tegen de menselijkheid binnen Hezb-i-Wahdat
Eiser, een Afghaanse nationaliteit bezittende vreemdeling, heeft een aanvraag ingediend voor toelating als vluchteling en verblijfsvergunning op humanitaire gronden. Verweerder wees dit af op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, omdat eiser ernstige redenen heeft om te worden vermoed betrokken te zijn bij misdrijven tegen de mensheid binnen de Hezb-i-Wahdat (HiW) in Afghanistan.
De rechtbank bevestigt dat de HiW in de periode 1992-1996 als een plaatselijke overheid fungeerde en betrokken was bij ernstige mensenrechtenschendingen zoals marteling, moord en groepsverkrachtingen. Eiser bekleedde hoge militaire en politieke functies binnen deze organisatie en had kennis van en verantwoordelijkheid voor deze wandaden. De rechtbank acht het aannemelijk dat eiser medeverantwoordelijk is voor deze misdrijven en daarom uitgesloten is van bescherming onder het Vluchtelingenverdrag.
Hoewel verweerder het verzoek om verblijf afwees, heeft hij nagelaten te beoordelen of uitzetting van eiser zou leiden tot een schending van artikel 3 EVRM Pro (verbod op foltering en onmenselijke behandeling). De rechtbank oordeelt dat verweerder ten onrechte de aanvraag heeft afgewezen zonder deze toets uit te voeren, waardoor het beroep gegrond is verklaard en het besluit is vernietigd.
De rechtbank benadrukt dat de beoordeling van artikel 1(F) VSV zorgvuldig moet gebeuren, waarbij rekening wordt gehouden met de vluchtmotieven van de asielzoeker. Ook de bronnen waarop verweerder zich baseert, waaronder ambtsberichten en rapporten, zijn voldoende betrouwbaar bevonden. De rechtbank veroordeelt verweerder tevens in de proceskosten van 644 euro.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd vanwege het ontbreken van een beoordeling van het risico bij uitzetting volgens artikel 3 EVRM.