ECLI:NL:RBSGR:2004:AO9722
Rechtbank 's-Gravenhage
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige bewaring vreemdeling en toekenning schadevergoeding
Op 20 januari 2004 werd de vreemdeling op grond van de Vreemdelingenwet 2000 in bewaring gesteld. Tegen deze maatregel werd op 21 januari 2004 beroep ingesteld, waarbij tevens om schadevergoeding werd verzocht. Verweerder hief de bewaring op op 22 januari 2004, nog voordat de rechtbank het beroep kon behandelen.
De rechtbank stelde vast dat de omstandigheden die maakten dat een lichtere maatregel volstond reeds bestonden op het moment van inbewaringstelling. Hierdoor was de bewaring vanaf het begin onrechtmatig. Gelet op deze onrechtmatigheid werd de Staat veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van €190 voor twee dagen inbewaringstelling.
Daarnaast werden de proceskosten van de vreemdeling, vastgesteld op €322, aan de Staat opgelegd. De rechtbank wees het beroep tegen de bewaring toe en bepaalde dat de uitbetaling van de schadevergoeding via de griffier zou verlopen.
De vreemdeling had aangevoerd dat hij een schrijnende situatie kende en zich aan de meldplicht hield, terwijl de vreemdelingendienst niet had aangegeven dat uitzetting zou plaatsvinden. Verweerder betwistte de rechtmatigheid van de bewaring niet, maar stelde dat het besluit tot lichtere maatregel op 22 januari de bewaring niet vanaf het begin onrechtmatig maakte. De rechtbank verwierp dit standpunt.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de bewaring onrechtmatig was en kent schadevergoeding van €190 toe aan de vreemdeling.