ECLI:NL:RBSGR:2004:AO9966
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning Somalische vreemdeling wegens interim measures EHRM
Verzoeker, een Somalische nationaliteit dragende vreemdeling, diende op 3 februari 2004 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. Deze aanvraag werd op 7 februari 2004 afgewezen door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Verzoeker stelde beroep in en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat het beroep was beslist.
De voorzieningenrechter stelde vast dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in meerdere zaken van Somalische vreemdelingen zogenaamde interim measures had afgegeven. Deze maatregelen verzoeken de Nederlandse overheid om geen uitzetting te effectueren zolang de zaak loopt, gebaseerd op Rule 39 van de Rules of Court. Uit jurisprudentie blijkt dat uitzetting tijdens zo’n interim measure in strijd is met artikel 34 EVRM Pro.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de interim measures niet alleen individuele situaties betreffen, maar ook zaaksoverschrijdende aspecten van algemene aard, mede vanwege vragen die het EHRM stelde over de situatie in Somalië. Hierdoor kon de vraag of uitzetting aanvaardbaar was niet zorgvuldig worden beoordeeld binnen de AC-procedure. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw te beslissen. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen.
Verweerder werd tevens veroordeeld in de proceskosten van verzoeker. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling; het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.