ECLI:NL:RBSGR:2004:AP0068
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening wegens onvoldoende belangenafweging minderjarig kleinkind bij mvv-verzoek
Verzoekster diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier onder verruimde gezinshereniging, maar beschikte niet over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Verweerder wees de aanvraag af vanwege het ontbreken van een geldige mvv, terwijl verzoekster niet behoorde tot vrijgestelde categorieën.
Verzoekster stelde dat de belangen van haar minderjarige kleinkind, dat in Nederland op een speciale school zit en een ontwikkelingsachterstand heeft, onvoldoende waren meegewogen. Zij beriep zich op artikel 3 van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), dat stelt dat het belang van het kind de eerste overweging moet zijn.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd hoe rekening was gehouden met de belangen van het kleinkind, ondanks de door verzoekster overgelegde rapportages. Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toe en verbood uitzetting totdat op bezwaar was beslist.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening toegewezen wegens onvoldoende belangenafweging van minderjarig kleinkind; uitzetting verboden totdat op bezwaar is beslist.