ECLI:NL:RBSGR:2004:AP1250
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om verblijfsvergunning op grond van schrijnende omstandigheden en eenmalige regeling asielzoekers
Verzoekers, een Chinees gezin met vier minderjarige kinderen, verbleven sinds 1995 in Nederland en verzochten op 23 mei 2003 om een verblijfsvergunning op grond van schrijnende omstandigheden en de eenmalige regeling voor asielzoekers. De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (verweerder) wees dit verzoek af, stellende dat er geen ruimte was voor herbeoordeling. Verzoekers maakten bezwaar en vroegen de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de brief van verzoekers als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moest worden gezien en dat het besluit van verweerder van 19 november 2003 een besluit in de zin van de Awb was. De rechtbank overwoog dat verweerder zijn discretionaire bevoegdheid en de inherente afwijkingsbevoegdheid had toegepast op verzoeken zoals dat van verzoekers, maar dat de criteria strikt waren en dat verzoekers niet aan de voorwaarden voldeden.
Verzoekers voerden aan dat terugkeer naar China niet mogelijk was vanwege de weigering van medewerking door Chinese autoriteiten en de gevolgen van de Chinese één-kindpolitiek voor hun kinderen. De rechtbank stelde vast dat verweerder voldoende duidelijk had gemaakt dat de aanvraag was beoordeeld binnen de geldende beleidskaders. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekers geen belang hadden bij de gevraagde voorlopige voorziening en wees het verzoek af. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van het verzoek om een verblijfsvergunning wordt afgewezen.