ECLI:NL:RBSGR:2004:AP4361
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- J.M. Janse van Mantgem
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid rechter bij overplaatsing en beëindiging verstrekkingen asielzoeker
Verzoeker, een asielzoeker van Angolese nationaliteit, werd op 19 april 2004 mondeling en op 13 mei 2004 schriftelijk geïnformeerd over zijn overplaatsing van AZC B naar AZC C. Omdat verzoeker niet meewerkte aan deze overplaatsing, werden verstrekkingen op de oorspronkelijke locatie beëindigd. Verzoeker stelde bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening tegen deze beëindiging.
Verweerder, het COA, stelde dat op grond van artikel 3a Wet COA geen bezwaar maar beroep mogelijk is en dat de vreemdelingenrechter bevoegd is te oordelen over het geschil. Het COA stuurde het bezwaarschrift door als beroepschrift naar de rechtbank. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat noch artikel 3a Wet COA, noch anderszins de vreemdelingenrechter bevoegd is om over de overplaatsingsbeslissing te oordelen.
De voorzieningenrechter stelde vast dat het beëindigen van verstrekkingen onlosmakelijk verbonden is met de overplaatsing en dat het beroep op de vreemdelingenrechter alleen mogelijk is indien het besluit verband houdt met een beslissing op de asielaanvraag. Omdat dat hier niet het geval was, verklaarde de voorzieningenrechter zich onbevoegd kennis te nemen van de voorlopige voorziening. Het bezwaarschrift wordt teruggezonden aan het COA voor behandeling en het verzoekschrift wordt doorgezonden naar de bestuursrechter te Amsterdam.
Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek om voorlopige voorziening tegen overplaatsing en beëindiging verstrekkingen.