ECLI:NL:RBSGR:2004:AP4388
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige bewaring en toekenning schadevergoeding wegens onvoldoende voortvarendheid
Eiser werd op 16 maart 2004 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet Pro 2000. Op 31 maart 2004 oordeelde de rechtbank dat het voortduren van de bewaring niet onrechtmatig was. Verweerder hief de bewaring op 28 april 2004. Eiser verzocht om schadevergoeding wegens de periode van onrechtmatige bewaring.
De rechtbank stelde vast dat de bewaring onrechtmatig was vanaf veertien dagen na 24 maart 2004, dus vanaf 8 april 2004. Dit omdat verweerder na het bekend worden van de taalanalyse op 9 maart 2004 en de toezegging op 24 maart 2004 om spoedig een laissez-passer aan te vragen, onvoldoende voortvarendheid betrachtte om binnen een redelijke termijn vervolgacties te ondernemen.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en kende eiser een schadevergoeding toe van €70 per dag voor de 20 dagen onrechtmatige bewaring, totaal €1400. Tevens werden de proceskosten van €322 aan eiser toegewezen, te betalen door de Staat der Nederlanden. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Bewaring onrechtmatig vanaf 8 april 2004 en schadevergoeding van €1400 toegekend aan eiser.