ECLI:NL:RBSGR:2004:AP4389

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
17 februari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 04/6007
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • K. Wentholt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 96 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring vreemdeling onrechtmatig wegens onvoldoende informatie over uitzetting

Eiser werd op 22 december 2003 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet Pro 2000. De rechtbank heeft in een eerdere uitspraak van 12 januari 2004 geoordeeld dat het voortduren van de bewaring niet onrechtmatig was. In het huidige beroep is onderzocht of sinds die uitspraak feiten zijn voorgevallen die het voortduren van de bewaring onrechtmatig maken.

De rechtbank constateert dat verweerder bij de behandeling van het eerste beroep onjuiste en onvoldoende informatie heeft verstrekt over de aanvraag van een laissez-passer bij de Algerijnse autoriteiten en de voortgang van het identiteitsonderzoek. Uit een voortgangsrapportage blijkt dat verweerder al eerder meer en andersluidende informatie had, waardoor de rechtbank onvoldoende is geïnformeerd.

Deze tekortkoming heeft geleid tot onduidelijkheid over de werkwijze en het zicht op uitzetting van eiser. Gezien het belang van goede voorlichting acht de rechtbank het noodzakelijk om consequenties te verbinden aan deze onvoldoende informatieverstrekking.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, beveelt opheffing van de bewaring met ingang van heden, wijst het verzoek om schadevergoeding af en veroordeelt verweerder in de proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling wordt opgeheven wegens onvoldoende en onjuiste informatie over de uitzetting.

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE
Zitting houdende te Assen
Vreemdelingenkamer
Regnr.: AWB 04/6007 VRONTN S4
uitspraak: 17 februari 2004
U I T S P R A A K
op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet Pro 2000 (Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende:
A,
geboren [...] 1985 te Wahranca,
van Algerijnse nationaliteit,
IND-dossiernummer 2031.18.6019,
thans verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam,
eiser,
gemachtigde: mr. G.E. Menick, advocaat te Amsterdam,
tegen
DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE
te 's-Gravenhage,
verweerder,
gemachtigde: A. van de Burgt, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
PROCESVERLOOP
Bij besluit van 22 december 2003 is eiser op de voet van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 in bewaring gesteld.
Naar aanleiding van een eerder ingediende kennisgeving heeft deze rechtbank, neven-zittingsplaats Zwolle, bij uitspraak van 12 januari 2004 geoordeeld dat het voortduren en de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring niet onrechtmatig zijn.
Namens verweerder is de rechtbank op 9 februari 2004 op grond van artikel 96, eerste lid, Vw 2000 in kennis gesteld van het voortduren van de maatregel van bewaring, opgelegd bij besluit van 22 december 2003. Deze kennisgeving moet worden gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring.
De rechtbank heeft kennis genomen van de brief van de gemachtigde van eiser van 12 februari 2004.
De zaak is behandeld ter zitting van 16 februari 2004. Eiser noch zijn gemachtigde is daarbij verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.
OVERWEGINGEN
Thans is aan de orde de vraag of zich sedert de sluiting van het onderzoek ter zake van de eerdere kennisgeving feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die (het voort-duren van) de bewaring onrechtmatig maken. Hierbij is mede van belang of nog voldoende zicht bestaat op uitzetting van eiser.
Namens eiser is aangevoerd dat verweerder niet voortvarend heeft gehandeld bij de voorbereiding van de uitzetting van eiser. Om die reden is verzocht de bewaring op te heffen onder toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hetgeen namens hem ter zitting van 5 januari 2004 (bij de beoordeling van het eerste beroep tegen de opgelegde bewaringsmaatregel) heeft verklaard over de aanhangige aanvraag tot afgifte van een laissez-passer (LP) bij de Algerijnse autoriteiten onjuist is geweest en berust op een verspreking.
Verweerder heeft voorts verklaard dat de LP-aanvraag nog immer aanhangig is bij de Marokkaanse autoriteiten en dat op 18 februari 2004 een gehoor met eiser is gepland, dat bepalend zal zijn voor de verdere voortgang van de bewaring.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank constateert dat bij voormelde uitspraak van 12 januari 2004 deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, voor zover relevant, heeft overwogen dat er - zoals verweerder ter zitting van 5 januari 2004 heeft verklaard - sinds 13 augustus 2003 een LP-aanvraag bij de Algerijnse autoriteiten aanhangig is. Voorts blijkt uit de uitspraak dat verweerder ter zitting van 5 januari 2004 heeft verklaard dat op 29 december 2003 is geïnformeerd bij de Algerijnse autoriteiten naar de stand van zaken van het identiteitsonderzoek.
De rechtbank stelt vervolgens vast dat blijkens de thans voorliggende voortgangsrapportage reeds ten tijde van de behandeling van het eerste beroep meer en andersluidende informatie bij verweerder bekend was. Naar thans is gebleken is de rechtbank derhalve onvoldoende en onjuist geinformeerd. Mede hierdoor is er onduidelijkheid ontstaan omtrent de gekozen werkwijze van uitzetting en het zicht op uitzetting. Gelet op het belang van een goede voorlichting door verweerder aan de rechtbank over de wijze waarop de uitzetting wordt voorbereid en de voortgang hierbij, acht de rechtbank het geboden thans consequenties te verbinden aan de gebleken volstrekt onvoldoende informatieverstrekking aan deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, bij de behandeling van het eerste beroep tegen de maatregel van bewaring. Dat eiser tot ongewenst vreemdeling is verklaard, doet aan het vorenstaande niet af.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat in het licht van het bovenstaande de bewaring onrechtmatig is geworden. Het beroep dient derhalve gegrond te worden verklaard. De bewaring dient te worden opgeheven met ingang van heden. De rechtbank ziet geen aanleiding tot toekenning van schadevergoeding.
Nu het beroep gegrond wordt verklaard bestaat aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door eiser gemaakte proceskosten, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet voldoen.
BESLISSING
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van heden;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 322,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als (de) rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Wentholt, rechter, in tegenwoordigheid van B. de Vogel als griffier en uitgesproken op 17 februari 2004.
Afschrift verzonden: 18 februari 2004