ECLI:NL:RBSGR:2004:AP6940

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
25 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 03/2998 CSV
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:77 AwbArt. 9 CSVBoek 7 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling loondagenbegrip bij premieheffing werknemersverzekeringen

Eiseres, Woningstichting Haag Wonen, betwistte de afrekennota voor premies werknemersverzekeringen over 2002 die door verweerder was vastgesteld. Centrale vraag was de uitleg van het begrip "dagen waarover de werknemer loon heeft genoten" in artikel 9 van Pro de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV).

Verweerder stelde dat de premieheffing niet per gewerkte dag, maar per premiebetalingstijdvak plaatsvindt en dat ook ziektedagen, vakantiedagen, feestdagen en ADV-dagen als loondagen moeten worden beschouwd. De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 31 mei 2001, die een andere interpretatie gaf voor bedrijven met een cyclisch arbeidspatroon, is volgens verweerder niet van toepassing op het normale arbeidspatroon van eiseres.

De rechtbank volgde verweerder en oordeelde dat het begrip loondagen ook niet-werkdagen omvat die verbonden zijn aan een normaal arbeidspatroon. Het uitsluiten van deze dagen zou leiden tot fluctuaties in premies en administratieve lasten. De uitspraak van de CRvB geldt slechts voor bedrijven met een cyclisch arbeidspatroon. Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het besluit tot vaststelling van de premies werknemersverzekeringen blijft in stand.

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage
sector bestuursrecht
eerste afdeling, enkelvoudige kamer
Reg. nr. AWB 03/2998 CSV
UITSPRAAK
als bedoeld in artikel 8:77
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Uitspraak in het geding tussen
Woningstichting Haag Wonen, gevestigd te Den Haag, eiseres,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.
Ontstaan en loop van het geding
Bij besluit van 7 april 2003 heeft verweerder de voor eiseres geldende afrekennota voor de premies ingevolge de werknemersverzekeringswetten voor premiejaar 2002 vastgesteld.
Bij besluit van 3 juni 2003 heeft verweerder het tegen dit besluit door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 14 juli 2003, ingekomen bij de rechtbank op 21 juli 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft een nadere brief ingediend.
Het beroep is op 14 mei 2004 ter zitting behandeld. Eiseres is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr G.G. Kranendonk.
Motivering
Het geschil draait om de vraag welke betekenis moet worden toegekend aan de term "dagen waarover de werknemer loon heeft genoten", ook wel "loondagen" genoemd in artikel 9 van Pro de Coördinatiewet Sociale Verzekering (hierna: CSV). Bij de interpretatie hiervan speelt de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) van 31 mei 2001 (gepubliceerd in RSV 2001/184) een belangrijke rol.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat bedoelde uitspraak van de CRvB in strijd is met de wet. De systematiek van premieheffing ingevolge artikel 9, eerste lid, van de CSV is namelijk een premieheffing per premiebetalingstijdvak en niet per gewerkte dag. Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest om alleen arbeidsdagen als loondagen aan te merken. Dit zou tot rechtsongelijkheid leiden: bij gelijke lonen zouden verschillende premiebedragen verschuldigd kunnen zijn. Bovendien zouden, in de meest verstrekkende interpretatie van die uitspraak, over vakantie-, ADV- en ziektedagen geen premies verschuldigd zijn. Ten slotte is, aldus verweerder, van belang dat die uitspraak van de CRvB betrekking heeft op een specifiek arbeidspatroon, te weten bij een bedrijf in de offshore-industrie, waar wordt gewerkt in een "veertien dagen op, veertien dagen af"-ritme. Wat de CRvB overweegt mag volgens verweerder niet zomaar worden toegepast op meer gebruikelijke arbeidspatronen.
In genoemde uitspraak van de CRvB heeft de Raad - voor zover hier relevant - het volgende overwogen:
“Art. 9, eerste lid, van de CSV, voorzover hier van belang luidt als volgt:
"Bij de berekening van het loon, waarnaar de premies ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet worden geheven, blijft het loon, dat bij dezelfde werkgever meer heeft bedragen dan het bedrag, dat wordt verkregen door vermenigvuldiging van een bedrag van f ... met het aantal dagen van het premiebetalingstijdvak, waarover de werknemer loon heeft genoten, voor dat meerdere buiten aanmerking gelaten" .
Aan de orde is derhalve primair de vraag wat verstaan moet worden onder "het aantal dagen ........., waarover de werknemer loon heeft genoten".
Zoals de Raad reeds eerder heeft geoordeeld, de Raad verwijst hiertoe naar zijn uitspraken van 15 maart 1976, RSV 1976/219 en 6 december 1985, RSV 1986/162, kunnen de onderhavige woorden geen andere betekenis hebben dan "dagen waarop de werknemer tegen loon heeft gewerkt".
De omstandigheid dat de onderhavige groep werknemers een loon genieten, dat zoals van de kant van gedaagde is gesteld ook betrekking heeft op de weken waarin niet wordt gewerkt, kan hieraan niet afdoen. In dit verband gaat de verwijzing naar 's Raads uitspraak van 24 december 1985, RSV 1986/124 niet op, nu in deze uitspraak een andere rechtsvraag, namelijk een vraag van verzekeringsplicht aan de orde was en niet een de premieheffing betreffende.
Het standpunt van gedaagde dat art. 9, vijfde lid, van de CSV noopt tot zijn standpunt gaat naar het oordeel van de Raad niet op. De Raad is van oordeel dat bedoeld artikellid gezien moet worden vanuit de systematiek van premieheffing zoals die is neergelegd in het eerste lid van art. 9 CSV Pro, namelijk een systeem van premieheffing per gewerkte dag. Tegen die achtergrond en de omstandigheid dat het zich bij ploegendienst kan voordoen dat op meer dan 5 dagen per week wordt gewerkt, dient naar het oordeel van de Raad het vijfde lid en ook het zesde lid aanhef en onder b, van de CSV geïnterpreteerd te worden. Dit betekent dat die bepalingen in het bijzonder ten doel hebben om het aantal loon- en derhalve ook werkdagen af te toppen tot op 5, terwijl het loon dan aan maximaal 5 dagen kan worden toegerekend.”
De rechtbank volgt verweerder niet waar hij stelt dat de CRvB een foute interpretatie aan artikel 9 van Pro de CSV geeft. Wel volgt de rechtbank verweerder waar hij stelt dat die uitspraak niet van toepassing is op ziektedagen, ADV-dagen, vakantiedagen, feestdagen, bijzonder-verlofdagen en dergelijke onderbrekingen van een "normaal" arbeidspatroon. Dat soort dagen immers zijn zo verbonden met dagen waarop gewoonlijk wordt gewerkt, dat de uitsluiting van die dagen als premiedagen niet aan de orde kan zijn. Bepalend onderscheid is dat bij een cyclisch arbeidspatroon, waarop de uitspraak van de CRvB van 31 mei 2001 betrekking heeft, er een aantal dagen (doorgaans ongeveer de helft) is waarop volgens een patroon verplicht niet wordt gewerkt, terwijl bij een "normaal" arbeidspatroon, er gewoonlijk op alle werkdagen wordt gewerkt, tenzij door ziekte een ziektedag wordt geboekt, door het opnemen van verlof een vakantiedag wordt geboekt, etcetera. Indien ook ziektedagen, ADV-dagen, vakantiedagen, feestdagen en bijzonder-verlofdagen niet als "premiedagen" kunnen tellen, zou het salaris van de individuele werknemers ook per jaar fluctueren, afhankelijk van het zich toevallig al of niet voordoen van de verschillende aanleidingen voor die dagen op wat gewoonlijk werkdagen zouden zijn. Verweerder heeft in dit verband terecht gewezen op de logica van de wetssystematiek, zoals die onder meer tot uiting komt in de looncomponenten in de CSV en de werkgeversverplichtingen in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. De daarin neergelegde keuzes van de wetgever zouden in meer of mindere mate hun betekenis verliezen indien genoemde uitspraak van 31 mei 2001 ook de door eiseres gewenste gevolgen zou moeten hebben voor de desbetreffende dagen. Daarbij komt nog eens dat uitsluiting van dergelijke dagen als premiedagen grosso modo per bedrijf uiteindelijk ook nauwelijks enig effect zou hebben. Behalve bij bedrijven waar afwijkende arbeidspatronen bestaan, zal namelijk voor de meeste bedrijven gelden dat er ongeveer evenveel van dergelijke dagen zijn als bij andere bedrijven in de sector. Indien de door eiseres gewenste gevolgen eenmaal sectorbreed zijn ingevoerd, betekent dat dat hetzelfde premietotaal moet worden opgebracht door dezelfde bedrijven, maar berekend over minder loondagen dan tot nu toe gebruikelijk is geweest. Dat zou er dus toe moeten leiden dat hetzij de premiepercentages, hetzij de dagmaxima, hetzij beide elementen omhoog moeten. Grosso modo zou dan per bedrijf hetzelfde bedrag aan premie moeten worden opgebracht. De administratieve lasten om te bepalen welk personeelslid wanneer een van de typen niet-arbeidsdag (verlof-, feest-, ziekte-, ADV-dag, etcetera) heeft genoten en de lasten om de afhankelijk daarvan fluctuerende salarissen, berekend naar de juiste hoogte, te betalen zullen in die situatie evenwel aanzienlijk toenemen.
Het bovenstaande komt er op neer dat de uitspraak van de CRvB van 31 mei 2001 wel gevolgen heeft voor bedrijven met een cyclisch arbeidspatroon, maar niet voor bedrijven met een "normaal" arbeidspatroon, zoals het bedrijf van eiseres. De rechtbank wijst er op dat dit overeenstemt met de wijze waarop de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in de Regeling loondagen van 3 februari 2004 het begrip "dagen waarover de werknemer loon heeft genoten" heeft omschreven. Die omschrijving is op haar beurt ook in overeenstemming met de gebruikelijke werkwijze van verweerder tot nu toe.
Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Rechtbank 's-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
verklaart het beroep ongegrond.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Aldus gegeven door mr D.A. Verburg en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2004, in tegenwoordigheid van de griffier F.E. van de Putte.
Voor eensluidend afschrift,
de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,
Verzonden op: